825 woorden, 4 minuten leestijd
Er zijn van die momenten die in je geheugen blijven hangen, alsof iemand ze met punaise en touwtjes aan de muur heeft bevestigd. Onverplaatsbaar. De dag dat de fles Exota in mijn hand ontplofte, is er zo een. Ik was een jaar of acht. Een leeftijd waarop je nog denkt dat de wereld vooral maakbaar is en dat limonade nooit kwaad kan, hooguit plakt op je vingers. Een milde vorm van romantiek, noem het gerust naïviteit. Maar ik liep dus richting huis, vanaf Melkboer Slot op de hoek van de Wolfstraat en de 1e Daalsedijk, met een fles bruine Exota in mijn hand. Champagnepils heette het. Als je dat nu hoort, klinkt het alsof kinderen halve liters bubbelende misleiding in handen kregen. En eerlijk, dat was het misschien ook.
Het was een wandeling van niks. Ik kan niet bevestigen hoeveel meter precies, maar zeker minder dan vijftig. Een straat die je als kind al blind kon lopen. Ik liep er waarschijnlijk met de nonchalance van iemand die wist dat er thuis iets lekkers op hem wachtte. Limonade was geen dagelijkse luxe. Het was eerder een belofte dat het een goede middag zou worden.
Wat er daarna gebeurde, staat nog altijd helder voor me. Een knal. Geen zachte plop. Geen sissend ontluchten. Nee, een kortstondig, agressief geluid dat door mijn hand en arm trok, alsof iemand een vuurpijl in mijn mouw had verstopt. Ik weet niet of ik zelf iets verkeerd deed. Een gekke zwiep met mijn arm, een draaiende beweging. Ik kan dat niet bevestigen. Misschien was het gewoon pech. Wat ik wel weet: ineens zat er geen fles meer in mijn hand, maar een glasscherf in mijn pols.
Dat moment waarop je beseft dat de wereld zich soms weinig aantrekt van je plannen. Het bloed kwam snel, dat herinner ik me duidelijk. Ik stond midden op straat te huilen, niet omdat het pijn deed, maar omdat het zo absurd was. Drinken ontploft toch niet? Frisdrank hoort te sissen, niet te detoneren.
Een buurvrouw zag het gebeuren en reageerde zoals buurvrouwen in die tijd reageerden: kordaat, zonder even op adem te komen. Ze greep me bij de schouders en begeleidde me naar huis, terwijl ik half huilde, half protesteerde. Mijn moeder schrok zo hevig dat ik haar gezicht nu nog voor me zie. Het soort schrik dat door merg en been gaat, waarbij woorden overbodig worden. Binnen een minuut sleepte ze me mee naar een buurman. Ik weet niet meer wie het was. Alles ging te snel om op te slaan. En nog geen vijf minuten later zat ik in het Academisch Ziekenhuis aan de Catharijnesingel, waar een arts het glas uit mijn pols verwijderde. Voorzichtig, alsof hij een tikkende bom ontmantelde. Het was millimeterwerk. Een slagader werd op een haar na gemist. Geluk kun je soms ruiken. Dit was zo’n moment.
Mijn moeder heeft nooit een brief gestuurd naar De Ombudsman, terwijl half Nederland dat in die tijd blijkbaar wel deed. Een illustratief stukje volkswoede dat ik later pas begreep. Zij vond dat onzin. Je moest zoiets direct doen, zei ze. Verder praten we er niet veel meer over. We bleven gewoon Exota drinken. Alsof het heel normaal was dat een frisdrankmerk af en toe een ledemaat bedreigde. Cynisch misschien, maar het was wel hoe het ging. Je keek naar je litteken, je haalde je schouders op en dronk door.
Pas jaren later, als volwassene, ontdekte ik de omvang van de Exota-affaire. De uitzending van De Ombudsman in 1969. Het jongetje dat zijn oog verloor. De schokkende montage van ontploffende flessen tussen de voorgelezen brieven. De ruim 300 klachten die binnenstroomden. Het marktaandeel dat met 57 procent kelderde. Het faillissement in 1973. Feiten die ik nu ken, maar toen totaal niet. Ik kende alleen mijn eigen verhaal. Mijn straat. Mijn knal.
En toch zit er, hoe vreemd ook, een soort warme glans over die herinnering. Misschien omdat ik het overleefde met niet meer dan een blijvend litteken. Misschien omdat Exota in mijn beleving vooral de smaak van jeugd heeft, suikerig en vol bubbels. Misschien omdat zo’n fles, hoe ridderlijk gevaarlijk ook, toch hoorde bij een andere tijd. Iets wat je nu niet meer zou meemaken. Of omdat je als kind sneller weer doorgaat. Je speelde buiten, je viel, je ging huilend naar binnen, er kwam een pleister op en je ging weer door.
Het litteken is er nog steeds. Onopvallend, maar aanwezig. Een krom lopend streepje geschiedenis aan de binnenkant van mijn pols. En elke keer dat ik het zie, denk ik niet aan ellende. Ik denk aan limonade. Aan warme zomers. Aan melkboeren die nog bestonden. Aan een tijd waarin priklimonade misschien net iets te enthousiast was, maar het leven zelf een stuk eenvoudiger leek.
En heel eerlijk? Als iemand morgen met een fles Exota zou binnenwandelen, bruine graag, ik zou hem aannemen. En ja, ik zou twee handen gebruiken.
Je weet tenslotte nooit wanneer de geschiedenis besluit nog eens op te ploppen.
