50 jaar geleden

50 jaar geleden

8 februari 2026 beginnen de Winterspelen in Milaan en Cortina d’Ampezzo. 50 jaar geleden was ik er zelf bij, een Olympische Spelen.

530 woorden, 3 minuten leestijd

Innsbruck, winter 1976

Ik was zestien. Bijna zeventien.
En eigenlijk hoorde ik daar helemaal niet te zijn.

Mijn oom Tonnie wel. Die had het plan al lang in zijn hoofd. De Olympische Winterspelen 1976. Innsbruck. Schaatsen. Bergen. Sneeuw.
Maar ik? Ik werkte gewoon bij de gemeente Utrecht. Leerling-stratenmaker. Eén dag per week school aan de Utrechtse Schoolstraat, verder stenen, handen en kou. Vrij vragen bleek geen probleem. De echte strijd speelde zich thuis af. Mijn ouders. Ton moest trekken, duwen, uitleggen. Uiteindelijk won hij.

Met een volle bus vertrokken we vanaf de Brinkgeverweg in Deventer. Deventer. Twee dagen onderweg. Oostenrijk lag ver weg in die tijd. Geen snel even doorrijden. Het voelde als een expeditie.
De tussenstop was ergens bij Augsburg. Laat in de avond belandden we in een nachttent. Een echte striptent. Ik weet nog precies wat me bijbleef. Niet de muziek. Niet het licht. Niet de schaars geklede dames. Maar het colaatje. Tien D-mark. In een gewoon glas. Geen gouden randje. Geen franje. Gewoon cola. En onvoorstelbaar duur. Ik weet nog dat ik dacht dat Oostenrijk vast alleen maar duurder kon worden.

We sliepen in een hotel in Ratsfeld. Daar begon mijn echte opvoeding.
Ik leerde kegelen. En drinken. Dat laatste iets te goed. Ik was zestien, niemand keek echt streng, en op een avond dronk ik een hele fles Jägermeister alsof het limonade was. Dat bleek een slecht idee. Die nacht was een ramp. De volgende ochtend ook. Het kostte me geld. Extra schoonmaak. Extra boete. Extra schaamte. Dat hoorde er blijkbaar bij.

Overdag probeerde ik te skiën. Dat ging niet. Echt niet. Ik stond meer naast de ski’s dan erop. Wat wél lukte, was met een plastic zak kilometerslang van een bergpad afglijden. Dat voelde sneller, vrijer en vooral veiliger dan mijn ski-experimenten.

En dan het schaatsen. Het Olympia Eisstadion. Koud. Open. Beton. IJs. Publiek dicht op elkaar.
Daar gebeurde iets wat ik nooit ben vergeten. Tijdens een wedstrijddag kwamen Anton Geesink en zijn vrouw naast me staan. Gewoon. Geen poeha. Geen entourage. Hij vroeg hoe die rondetijden nu precies zaten. Wie er goed lag. Wie moest komen. We raakten aan de praat. Over ons Utrecht. Over judo. Ik had als jochie nog les bij hem gehad. Dat soort momenten kun je niet plannen. Die overkomen je.

Sportief gezien was het allemaal wat mager voor Nederland. Een beetje brons. Een beetje zilver. Geen groot machtsvertoon. Geen euforie.
Tot de laatste dag.

De tien kilometer. Piet Kleine.
Dat veranderde alles. Goud. Opluchting. Trots. Eindelijk iets om vast te houden. Alsof de hele reis ineens zin kreeg.

En toen gebeurde het laatste, mooiste detail. De polonaise. Door het stadion. Met de Nederlandse vlag om mijn schouders. Ik voorop. Jong. Overmoedig. Onbewust van camera’s.
Pas thuis hoorde ik het. Ik was op televisie geweest. De eerste van de rij. Een voetnoot in de olympische geschiedenis. Maar wel mijn voetnoot.

Het waren twee fantastische weken. Niet omdat alles perfect was. Integendeel.
Maar omdat ik zestien was. Omdat ik mocht. Omdat ik er was.