Quand On N’a Que L’amour

Quand On N’a Que L’amour

534 woorden, 3 minuten leestijd

Als liefde het enige is

15-11-2025 Jacques Brel de Musical, Theater de Tamboer
De regen hing als een dun gordijn boven Hoogeveen toen ik het theater uitliep. De avondlucht rook naar nat steen en verwarmde winterjassen, en nog steeds zinderden die Nederlandse Brel-zinnen ergens in mijn borstkas. Niet letterlijk, eerder als een trage echo, alsof iemand zacht met een vinger langs een ruit streek.

Ik bleef even staan op de drempel van de uitgang. Fietslichten trokken strepen door de nattigheid. Het had iets kalms, bijna vertrouwds. Misschien omdat het me herinnerde aan momenten uit mijn eigen leven waarin ik – soms tegen beter weten in – had geloofd dat liefde alleen genoeg kon zijn.

Ik liep richting de auto en dacht aan de simpele waarheid die in dat lied verstopt zat: dat je soms niet meer hebt dan elkaar, en dat juist dát het licht kan zijn waarmee je een hele dag op gang houdt. Niet als groot gebaar, maar als iets kleins. Iets wat je meeneemt in je jaszak, zoals een gekreukelde foto of een sleutelhanger die ooit een grap was.

Onder een straatlantaarn bleef ik staan en keek naar de weerspiegeling van de donkere lucht in een plas regen. Het was geen mooie lucht; meer een verzameling bijna zwarte grijstinten die op elkaar waren gaan liggen. Maar in die spiegeling zag ik iets wat rust gaf: de contour van mijn eigen gezicht, ouder geworden, ja – maar ook milder. Alsof ik geleerd had dat je niet overal een overwinning hoeft te behalen. Soms is het genoeg om thuis te komen bij iemand die je aankijkt en zegt: ik ben er nog steeds.

En ineens dacht ik terug aan een ochtend thuis in Rolde, bijna een jaar geleden, toen ik met een kop koffie bij het raam zat en buiten de wereld langzaam wakker werd. De wind deed toen hetzelfde als nu: hij schoof voorzichtig langs de huizen, alsof hij niet wilde storen. En ik besefte dat alle reizen, alle omwegen, uiteindelijk terugleiden naar één simpel verlangen: dat iemand naast je zit en mee ademt in hetzelfde ritme. Niet meer, niet minder.

In de auto bleef ik nog even zitten voor ik de sleutel omdraaide. De ruiten waren beslagen en van buiten gleden regendruppels naar beneden, alsof ze haast hadden. Ik dacht aan de mensen die ik liefheb – soms luid, soms stil – en aan hoe het leven eigenlijk niet veel anders is dan één lange poging om het gewone bijzonder te maken. Met woorden, met stilte, met koffie aan een keukentafel die al honderd gesprekken heeft opgeslagen.

Misschien is dat precies wat het lied bedoelt: dat wanneer je niet veel bezit, de dingen die blijven zwaarder wegen. Een hand op je schouder. Een blik die jou herkent. Een avond in een theater waar iemand woorden zingt die je nooit zelf had gevonden, maar die toch iets in je openbreken.

Ik startte de auto, liet de kachel zachtjes aanslaan en reed de natte weg op. In de achteruitkijkspiegel ving ik nog een glimp op van het theaterlicht. Het doofde langzaam, maar het gevoel dat het losmaakte bleef. Het was klein, maar helder.

Alsof iemand had gefluisterd:
Als liefde het enige is, dan is het soms verrassend veel.