Ze stond met haar rug naar hem toe, in alleen een T-shirt dat net lang genoeg was om niet onbeleefd te zijn. Haar haar zat in een slordige knot die elk moment leek te kunnen instorten, zoals hij zich ook voelde: slap, tevreden, en lichtjes op glad ijs.
“Zacht of hard?” vroeg ze zonder om te kijken.
Hij kuchte, deed alsof hij zijn keel schraapte maar eigenlijk tijd won.
“Zacht,” zei hij. “Graag met een beetje onzekerheid in het midden.”
Ze lachte. “Zoals jij gisteren?”
Hij wilde iets gevat terugzeggen, maar zijn hoofd was nog vol van haar stem van vannacht. Hoe die anders klonk toen ze dichterbij kwam. Hoe haar adem in zijn hals iets had losgemaakt dat hij al een tijd had vastgezet.
Ze draaide zich om, met twee eieren in haar hand als trofeeën.
“Ik heb maar één eierdop,” zei ze. “Dus je krijgt een oud kopje van het huis, of je eet het uit een theeglas.”“Zolang jij mijn ontbijt serveert, mag het ook uit een asbak,” zei hij.Ze rolde met haar ogen, maar haar mond kneep zich tot een halve glimlach.
“Charmant,” zei ze. “En jij wilde dat ik dacht dat je subtiel was?”
Hij leunde tegen het aanrecht en keek hoe ze de eieren in het water liet zakken. Ze deed het met twee lepels, alsof het kristallen waren. Alles aan haar bewoog beheerst, maar met een ondertoon van chaos – als een servet dat elk moment in vlam kon vliegen.
“Je bent geen ochtendmens,” merkte ze op.
“Ik ben een jij-mens,” zei hij.
“Pas op,” antwoordde ze. “Daar worden mensen eierig van.”
Hij lachte. Niet hard. Maar echt. En dat overkwam hem niet vaak op dit uur.
Op het tafeltje stonden al twee borden, wat roomboter, een potje abrikozenjam, en een mes dat glansde alsof het net gepoetst was. Ze had dit voorbereid. Of ze at altijd zo. Hij wist niet wat hem liever was.
Ze zette het ei voor hem neer in een oud, geschilferd kopje. Hij wilde net vragen of ze altijd zo elegant was in T-shirt en slip, toen ze zei: “Breek het maar open. Als je durft.”
Hij nam het lepeltje, tikte tegen de bovenkant. Niet te hard. Niet te zacht. Een hol geluid, dan een scheurtje. De schaal kraakte open als iets wat niet bedoeld was om alleen te zijn.
De dooier wiebelde loom in het wit, perfect gelukt, net als vannacht — zolang je niet te veel vroeg, en niet te lang bleef kijken.
Zij zat tegenover hem, opgevouwen op haar stoel, haar knieën tegen haar borst. Ze blies over haar thee en keek hoe hij het ei uitlepelde alsof het een verboden handeling was.
“Ik heb nog een ei,” zei ze.
Hij keek op.
“Oh?”
“Een derde,” zei ze. “Die bewaar ik meestal voor … tja. Als het de moeite waard was.”
Hij grijnsde. “En?”
Ze zweeg. Liet het stil worden, alsof de lucht zich moest vullen met suggestie. Toen stond ze op, liep naar het aanrecht en pakte het overgebleven ei. Geen woorden. Alleen dat gebaar.
Ze hield het in haar hand alsof het iets heiligs was. Of gevaarlijks.
“Ik heb wel eens gehoord,” zei ze langzaam, “dat als je een ei zacht genoeg over iemands huid rolt, het bijna voelt als een tong.”
Hij verslikte zich in zijn thee.
Ze liep naar hem toe, traag, met het ei in haar hand en iets in haar blik dat zweefde tussen ernst en spel.
“Mag ik?” vroeg ze.
Hij knikte. Geen woorden nu.
Ze hurkte naast zijn stoel, rolde zijn mouw omhoog. Legde het ei in de holte van zijn arm. En heel voorzichtig, met haar vingers als kompas, begon ze het over zijn huid te laten glijden.
Hij voelde geen kou. Alleen iets ronds, glads, iets wat niet bij eten hoorde, en toch alles met zijn ademhaling te maken had.
“Zie je,” fluisterde ze. “Geen breuk, zolang je zacht bent.”
Het ei gleed over zijn onderarm, zijn pols, de rug van zijn hand. Hij wilde haar aanraken, maar haar ogen hielden hem tegen. Niet nu. Eerst dit.
Ze streek ermee langs zijn kaaklijn.
“Bij je oor is het gevoelig,” zei ze. “Of wist je dat al?”
Hij ademde trager. Zijn huid luisterde.
En toen – net toen het ei over de rand van zijn sleutelbeen gleed – liet ze het vallen.
Het ei brak op zijn borstbeen. Een zachte plop, een dooier als zon op zijn huid. Het wit gleed in een glinsterende baan naar beneden.
Hij keek haar aan. Haar gezicht was strak van een ingehouden grijns.
“Sorry,” zei ze. “Ik had eigenlijk een vierde ei nodig. Voor het experiment.”
Hij zat verstijfd. Zijn borst vol geel. Zijn adem stokte.
Toen begon ze te lachen. Eerst zacht. Toen harder. Hij kon niet anders dan meedoen.
“Je bent belachelijk,” zei hij, zijn handen kleverig van de dooier.
“En jij bent eetbaar,” zei ze.
Ze stond op. Reikte hem een theedoek aan.
“En als je snel bent, mag je straks nog even in mijn pannetje.”
Hij keek naar het bord, naar het kapotte ei, naar haar heupen die zich verwijderden richting badkamer.
Een ei is geen belofte, dacht hij.
Maar het is wél een uitstekend begin.