Een van die mooie zomers uit mijn jeugd

Een van die mooie zomers uit mijn jeugd

In de zomer van 1972 in mijn 13e levensjaar kwamen enkele van mijn vrienden en ik op een idee. Ik zal ze hun naam geven, mijn vrienden uit de Utrechtse Wolfstraat en omstreken; Johnnie C. Rinie I. en Peter v. E. Die laatste wist nog het hart van mijn jongste zusje te stelen, maar dit terzijde. We wilden een boot bouwen, een echte boot, waarmee we de Utrechtse singels, grachten en een deel van De Vecht konden verkennen. Het was een geldige reden om uit onze stad te ontsnappen, om de hitte en de saaiheid van de zomer te ontvluchten. We waren allemaal aan het begin van onze puberteit en nog lang niet toe aan de nakende jongvolwassenheid. De gedachte aan het beleven van vrijheid en avontuur was onweerstaanbaar.

We vonden een oud schipper, hij heette toevallig ook Jans en woonde, met zijn vrouw bij ons om de hoek aan de 1e Daalsedijk, schuin tegenover melkboer Slot, een woning op de begane grond, onder de bovenwoning waar Peter woonde. Zijn vele ruw opgezette tattoos verraadden een heftig zeemansbestaan. Voor ons een deskundig botenkenner pur sang. Hij was bereid ons te helpen bij het bouwen van de boot. Een oude houten casco roeiboot, waar achteraf wel heel veel aan gedaan moet worden, wist hij ook wel aan te komen, de kosten daarvan 6 gulden en 75 centen. Daar ging een eerste deel van ons zakgeld en opbrengst van oud papier aan op.

Het werd elke dag wel passen, zagen, meten en schuren, het resultaat mocht er echt wezen. Zelfs de oude schipper had tranen in zijn ogen toen hij tussendoor de werkzaamheden kwam bekijken. De wildste verhalen borrelden bij hem op. De meesten niet geschikt voor ons als 13-jarigen. Hij had al jaren niet meer op het water gevaren, maar zijn ogen twinkelden nog steeds bij de herinnering aan de vrijheid van de zee. We noemden de boot ‘Zon’, omdat hij ons zou brengen naar de warmste en mooiste plekjes van De Vecht, en wie weet tot aan het Tienhovens Kanaal. Of nog verder.

Een kleine week later was de boot klaar, op een grashelling langs een klein zijriviertje van de Utrechtse Buitensingel, genaamd De Minstroom, lag het zeewaardig te wezen, in ieder geval singelwaardig. Hij was bij lange na niet perfect, maar hij was van ons. Met veel zweet opgeknapt. We manoeuvreerden hem door De Minstroom naar het water van de Singel en de eerste slagen met de zelfgefabriceerde roeispanen waren een feest. De zon scheen, de vogels zongen en wij lachten en schreeuwden van blijdschap. We voelden ons vrij, helemaal vrij.

De weken die volgden waren de mooiste van mijn leven, tenminste, die van de zomer van 1972. We voeren over de Singel en later de Vecht, bij de sluisjes tilden we de boot uit het water en daar voorbij lieten we hem weer zakken. Heerlijk, de wind in ons haar, de zon op ons gezicht. We maakten vrienden met de vele vissers langs de oevers, die ons vertelden over de geheimen van de rivier. Voeren langs de achterzijde van de welbekende woonboten van het Zandpad, de voor Utrechters bekende Gummidreef. We zongen en dansten in ons bootje, over de Oudegracht, de Nieuwegracht, onder bruggen en onder sterren door, en we voelden ons een deel van iets groters dan onszelf.

Maar een zomer is nooit eeuwig. De dagen worden korter, de nachten kouder en de boot wordt stilgelegd, in het gras langs de Minstroom, bijna bij Bertus, de oom van Peter voor de deur. Kon hij er nog een beetje oog op houden. We moesten ons leven weer oppakken, maar we wisten dat we nooit meer hetzelfde zouden zijn. We hadden de smaak van de vrijheid geproefd en we wilden meer.

Nu, bijna 52 jaar later, kijk ik terug op die zomer en denk ik met enige weemoed aan het avontuur dat wij beleefden, vele zomerse weken lang. De boot heeft het daaropvolgende jaar niet gehaald. Gesloopt door baldadige jeugd uit de buurt van de Abstederdijk en Sterrenwijk. Maar daar hebben wij trouwens niet lang over hoeven treuren, het avontuur met een heuse scooter lonkte al in de daaropvolgende lente. Deze kun je hier lezen!