De werkster

De werkster

287 woorden, 2 minuten leestijd

De ochtend begint zoals altijd. Het duister trekt zich terug, alsof iemand langzaam de gordijnen opent. In het noorden hangt een kil blauwgrijs dat belooft niet warmer te worden. Ik fiets door lege straten, de kou snijdt in mijn wangen. Mijn emmer wiebelt achterop, mijn doek en sop zijn stille metgezellen. Het gebouw wacht op mij, stil en groot, alsof het niet merkt dat ik elke dag zijn stilstaande tijd schoonmaak. De vloeren zijn koud onder mijn schoenen, nog vol met de sporen van gisteren. Een vlek hier, een voetafdruk daar – verhalen die verdwijnen onder mijn handen. Mijn doek glijdt traag, soms bijna teder, alsof ik iets nieuws achterlaat waar eerst chaos was. De gangen vullen zich met geluiden. Stemmen, voetstappen, deuren die sluiten. Mensen haasten zich, praten snel, kijken zonder echt te zien. Ze passeren me alsof ik lucht ben, hun ogen nooit op mij gericht. Geen groet, geen glimlach, alleen de vluchtige echo van hun wereld die mijn stilte breekt. Maar ik zie dingen die zij niet zien. De glans van een schone vloer die het licht vangt. Het raam waarin mijn schaduw even opduikt en verdwijnt. Het is klein, bijna onbetekenend, maar het is van mij. Hier, in dit werk, in deze routine, ligt een stille kracht. Het werk brengt helderheid, niet alleen in de ruimte, maar ook in mijn gedachten. Het is alsof elke vlek die verdwijnt, ook iets in mij schoonmaakt. Elke dag lijkt op de vorige, een ritme zonder einde. Toch voelt het als genoeg. Mijn kracht mag klein zijn, maar het doet meer dan zichtbaar is. Het brengt rust, helderheid, en misschien, heel even, een glimp van schoonheid die blijft hangen, zelfs als ik allang weer naar huis ben gefietst.