1.425 woorden, 8 minuten leestijd
Ik werd wakker in een geur van vochtige aarde, mest en hooi. Mijn hele lijf was stijf, alsof ik had geslapen op een bed van steen. Het eerste wat ik zag was een laaghangende grijze hemel. Het licht was koud en melancholisch, alsof de zon zelf zich had teruggetrokken uit deze plek. Ik probeerde mijn hoofd te heffen en keek om me heen. Bomen stonden in kale rijen langs een modderige weg. In de verte zag ik rook uit kleine schoorstenen kringelen. De lucht rook scherp en ranzig, doordrongen van urine en rook, een geur die ik niet gewend was. Geen geluid van auto’s, geen trillende bas van muziek door een koptelefoon. Alleen het gekras van kraaien en het kraken van takken in de wind. Ik dacht eerst dat het een droom was. Maar de kou, die onmiskenbare kou die mijn botten doorboorde, was te echt. Mijn kleren – natte spijkerbroek, wollen trui – voelden zwaar en misplaatst. Ik stond op, mijn schoenen zompig van de modder, en begon te lopen richting het rookpluimpje.
Het dorp was primitief, een cluster van hutten, alsof het uit de grond zelf was gekropen. Vrouwen in grove jurken sjouwden met emmers. Een man, kromgebogen over een kar vol hout, stopte en keek me aan. Zijn gezicht leek uit steen gehouwen, zijn blik zwaar van argwaan. Ik zag kinderen in lompen achter een kip aan rennen, hun blote voeten glibberend in de modder. Iedereen keek, fluisterend. Een vrouw maakte een kruisteken toen ik langs haar liep. Ik wist niet wat ik moest zeggen, totdat een oude man naar voren stapte, leunend op een staf. Hij sprak een taal die ik vaag herkende, iets tussen oud Frans en Nederlands in. Het klonk als een echo van woorden die ik kende. “Qui êtes-vous?” vroeg hij scherp.
“Je suis perdu,” zei ik, in het Frans dat ik op school had geleerd. “Perdu. Verloren, verdwaald.”
Hij fronste en riep een jongen die verderop stond. De jongen, misschien een jaar of tien, werd naar me toe gestuurd om me naar de abdij te brengen. Dat woord herkende ik: abbaye. Ik knikte en volgde hem, weg van de blikken, de fluisteringen en het kruisgebaar van die vrouw. De abdij van Villers was een andere wereld. Het rees op uit de aarde als een onafgemaakte kathedraal. Torens zonder spitsen, muren zonder daken. Mannen werkten aan enorme stenen, hakten en sjouwden in een ritmisch patroon. Een monnik met een kaalgeschoren hoofd ontving me aan de poort. Zijn gezicht was mager, maar zijn ogen leken mijn hele wezen te doorgronden. Hij stelde me vragen – wie ik was, waar ik vandaan kwam – maar mijn antwoorden stelden hem niet gerust.
“U komt uit een vreemde tijd,” zei hij uiteindelijk. “Uw woorden zijn als scherven van iets groots, maar gebroken. Hoe bent u hier gekomen?”
Ik wist het zelf niet. Het enige wat ik kon bedenken, was dat ik had geslapen en wakker was geworden in deze wereld. Misschien een droom, misschien iets anders. De monnik luisterde zwijgend en bracht me naar de refter, waar ik hard donker brood kreeg en water dat rook naar de rivier. Toen hij me de datum noemde – “anno Domini 1243” – voelde het alsof de grond onder mijn voeten weggleed. Het was onmogelijk. En toch was het de enige waarheid die ik had.
De eerste dagen in de abdij waren een gevecht om te overleven. Alles wat ik ooit vanzelfsprekend had gevonden, was verdwenen. Vuur maken zonder lucifers? Onmogelijk. Hygiëne? Er was geen zeep, geen warm water. Mijn handen raakten ruw, mijn nagels werden zwart van de aarde. Het eten was zwaar en smakeloos, en mijn maag rommelde constant. Ik leerde zwijgen, luisterde naar de klanken van hun taal, probeerde woorden te vangen die op de mijne leken. Toen ontmoette ik haar.
Het was in een veld, net buiten de abdij. Ze werkte met haar handen in de grond, een grof stuk stof om haar schouders tegen de kou. Toen ik dichterbij kwam, keek ze op. Haar ogen waren groot en helder, een tint die ik niet kon plaatsen, ergens tussen groen en koper. Haar haar – kastanjebruin, bijna rood – hing in slagen om haar gezicht, kronkelend als een rivier. Ze had een gezicht dat zowel hard als zacht was, met sproeten die zich als sterren over haar wangen verspreidden.
Ze glimlachte. “Bonjour,” zei ze.
Ik stamelde iets terug, verrast door haar openheid. “Je suis… een vreemdeling,” zei ik uiteindelijk. “Dat zie ik,” antwoordde ze met een lichte spot in haar stem. Ze wees naar mijn handen, waar een wond begon te ontsteken. “Kom,” zei ze, en zonder te wachten pakte ze me bij de arm en leidde me naar een stroompje.
Daar, in dat veld, maakte ze een bundeltje kruiden los en kneep het sap uit op mijn wond. Het prikte, maar haar vingers waren zacht. Ze sprak zachtjes terwijl ze werkte, haar woorden als een lied dat ik niet begreep, maar dat me toch kalmeerde.
Ze heette Odalinde, vertelde ze me later. Ze was twintig, een boerendochter die haar dagen vulde met werken op het land en zorgen voor haar broers en zussen. Ze lachte toen ik haar vertelde dat ik “uit een verre plek” kwam. “Iedereen komt ergens vandaan,” zei ze schouderophalend.
Odalinde werd mijn houvast in deze vreemde wereld. Ze leerde me vuur maken met vuurstenen, vertelde me welke kruiden ik kon eten en welke ik moest vermijden. Ze had een scherp verstand en een bijna pijnlijke directheid. Maar het was haar glimlach die me raakte, een glimlach die iets in me wakker maakte dat ik al lang niet meer had gevoeld. Ik had mezelf beloofd afstand te houden. Zij hoorde bij deze wereld, ik niet. Maar hoe langer ik haar kende, hoe meer ik me aangetrokken voelde tot haar. Haar manier van kijken, alsof ze de wereld doorzag zonder het te zeggen. Haar zachte aanraking als ze een blad van mijn schouder plukte. Ik begon nachten wakker te liggen, niet van de kou, maar van de gedachte aan haar. Ik weet niet precies wanneer het gebeurde, maar op een dag bleef ze langer bij me dan gewoonlijk. We zaten bij een vuur, de nacht om ons heen stil. Ze vertelde over haar vader, die stierf in de winter, over haar moeder die daarna nooit meer dezelfde was. Ik luisterde, en toen ze stilviel, keek ze me aan.
“Jij bent anders,” zei ze zacht. Haar ogen hielden de mijne vast. “Jij hoort niet hier.”
Ik wilde iets zeggen, maar mijn woorden stierven in mijn keel. Ze leunde naar voren en legde haar hand op de mijne. De wereld om ons heen leek even te verdwijnen. Alles wat ik zag, was haar gezicht, haar ogen, het zachte licht van het vuur dat op haar huid danste. Toen boog ze zich naar me toe en kuste me. Het was geen kus zoals ik die kende. Het was rauw, onhandig, bijna primitief, maar er zat een eerlijkheid in die me deed trillen. Ik voelde iets breken in me, een muur die ik niet had beseft dat ik had opgetrokken. Voor een moment vergat ik alles: de tijd, de plek, de kloof tussen onze werelden.
Maar het kon niet blijven duren. De wereld van 1243 was een wereld van stilte en onderwerping. Mensen fluisterden over ons. De abdij, ooit een schuilplaats, voelde als een gevangenis. Ik begon te verlangen naar mijn eigen tijd, naar licht dat je met een druk op de knop kon aanzetten, naar koffie, naar warmte, naar orde.
Op een ochtend, toen de mist nog over de velden lag, nam ik in stilte afscheid. Ik zei niets tegen Odalinde; de woorden zouden te zwaar zijn geweest. Ik wilde haar gezicht niet zien, niet het verdriet dat ik in haar ogen zou hebben gelezen. Ik liep weg van het dorp, van de abdij, van haar. En toen, net zo plotseling als ik was gekomen, werd ik wakker in mijn eigen bed. Mijn lichaam was zwaar, alsof ik een marathon had gelopen. Alles voelde vreemd en tegelijkertijd vertrouwd: het zachte bed, het geluid van verkeer buiten over de Hoofdstraat, de geur van koffie die vanuit de keuken de slaapkamer bereikt, de croissants in de oven.
Maar er is een stilte in me achtergebleven. Soms, als ik mijn ogen sluit, zie ik haar gezicht weer. Ik zie de sproeten op haar wangen, hoor haar stem, voel haar handen op de mijne. Ik vraag me af wat ze nu doet, of ze nog steeds in dat veld werkt. En ik vraag me af of ze me mist, zoals ik haar mis.