Je stond daar, in de schaduw van het schemerlicht, half verlicht door het koude geel van een eenzame straatlantaarn. De lucht trilde van stilte en een verre echo van muziek, als een adem die niet wilde verdwijnen. Jouw ogen, donker en diep als een vergeten put, keken niet naar mij, maar ergens voorbij, alsof je door mij heen kon zien naar een wereld die ik nooit zou begrijpen.
“Luister naar mij,” zei je zacht, alsof je bang was de stilte te breken. Jouw stem, rauw en breekbaar, had de kracht van een rivier die een berg doorsnijdt. “Ik heb verhalen, ik heb dromen. Ze zijn klein, onbelangrijk misschien, maar ze zijn alles wat ik heb.”
Je haalde diep adem, jouw schouders een fractie van een seconde omhoog, alsof je een zware last moest tillen. “Vertel hen over mij,” vervolgde je, nu iets harder, bijna dwingend. “Aan je vrienden, aan je geliefden. Zeg hen dat ik er ben geweest, dat ik geprobeerd heb iets achter te laten. Al is het maar een fluistering in de nacht.”
Jouw woorden leken het asfalt te raken als druppels regen, langzaam opzuigend in de aarde zonder een spoor achter te laten. Maar ik voelde ze. De pijn, de wanhoop, de vastberadenheid. Jouw stem was niet meer dan een echo van zichzelf, en toch vulde ze de ruimte.
“Kijk naar mij,” fluisterde je nu, jouw blik vastgenageld op een plek in de verte. “Of wat er nog van me over is. Zie me voordat ik verdwijn, voordat ik mezelf vergeet.” Je glimlachte, een dunne, breekbare lijn die even snel verdween als ze gekomen was.
Jouw handen trilden terwijl je een beweging maakte, alsof je iets wilde pakken wat niet bestond. “Ik ben niets bijzonders,” zei je, en toch was jouw aanwezigheid zwaarder dan de nacht die ons omsloot. “Maar alles wat ik heb, alles wat ik ben, leg ik hier neer. Kijk, dit is mijn gezicht, dit is mijn stem, dit ben ik.”
Je wachtte. Niemand bewoog. De lucht leek te bevriezen rond jouw woorden. En toen, alsof je mij definitief wilde raken, herhaalde je: “Hier ben ik. In het lawaai, in de stilte. Hier ben ik.” Jouw woorden braken iets in de lucht. Het voelde als een golf die tegen een rots sloeg, de druppels verspreid en verloren, maar nooit helemaal weg.
Iemand in de verte lachte. Een hol, leeg geluid dat de spanning even verbrak. Je draaide je om, jouw silhouet kleiner dan ooit, en begon te lopen. Niet snel, niet langzaam, maar met een soort onvermijdelijke beweging, alsof je in jouw eigen schaduw verdween.
Ik bleef achter. Met jouw verhalen die nog in de lucht hingen. Met jouw stem die in mijn hart bleef echoën, ongrijpbaar en rauw. En de nacht, die zich langzaam sloot over wat er nog van jou over was. Voilà, dacht ik. Dat was jij. En het was genoeg.