Eens, lang geleden, woonde er een eigenzinnig meisje genaamd Roodkapje. Ze droeg een felrode cape, niet uit onschuld, maar om te pronken met haar durf. In het bos waar ze woonde, fluisterden de bomen en grijnsden de struiken, want ze wisten dat ze met Roodkapje te maken hadden.
Op een sombere dag, toen de zon zich achter grijze wolken verborg, stuurde moeder Roodkapje naar haar zieke grootmoeder met een mand vol lekkernijen. Maar het bos had honger en rook de geur van haar avontuurlijke ziel. Roodkapje, argeloos als ze was, zwierf af van het pad. Plotseling dook er een merkwaardig wezen op – de Boze Wolf met glinsterende ogen en een grijnzende snuit.
“Goedemiddag, Roodkapje,” siste de wolf. “Waar ga jij heen?”
“Naar grootmoeder,” antwoordde ze, zonder angst.
“Hmm, laat mij raden, je neemt de langste weg, de enge weg, de verboden weg?” lachte de wolf.
Roodkapje knikte met een uitdagende glimlach. “Zeker, en wat dan nog?”
De wolf grijnsde breder. “Wel, ik neem de kortste weg en ik zal je voor zijn!”
En zo begon een wilde race door het bos. De wolf gromde en Roodkapje giechelde terwijl ze takken ontweek en over struiken sprongen. Ze bereikten het huis van grootmoeder tegelijkertijd.

Maar grootmoeder, die een avontuurlijke ziel herkende, verwelkomde de wolf met open armen. “Wat een geweldige race, bravo! Jullie hebben me vermaakt.”
De wolf, ontwapend door grootmoeders vreugde, beloofde nooit meer kwaad te doen. Roodkapje en de wolf werden onwaarschijnlijke vrienden, en samen verkenden ze het betoverende bos, waar de bomen en struiken nu fluisterden van vreugde.
En zo leefden ze nog lang en avontuurlijk, altijd op zoek naar het onverwachte, in de betoverende sprookjeswereld van Roodkapje en de wolf.