Langs het jaagpad

Langs het jaagpad

Lente 1990 – Langs de oevers van de Krommerijn, onder de zachte schaduwen van Amelisweerd, werkte ik in een traag hardlooptempo mijn trainingskilometers af richting Bunnik. Het jaagpad, gestrekt en rustig, was omringd door het gefluister van ritselende bladeren en het kabbelende water, een symfonie van de natuur die mijn ziel streelde.

Een bank langs het pad bood een rustpunt aan een jonge vrouw, wier gestalte meewiegde met de wind als een jonge bloem in de lentebries. Haar aanwezigheid trok mijn aandacht, haar jeugdige uitstraling, nauwelijks drieëntwintig jaar oud, toverde een glimlach op mijn gezicht.

Toen ze me opmerkte, rees ze op als een nimf uit de mythologie en liep naar me toe met een open boek in haar hand, als een toonbeeld van onbevangenheid en vrijheid. Onze blikken ontmoetten elkaar, en ik voelde een onbekende kracht tussen ons ontwaken.

Met een tred zo licht als de vleugels van een vlinder, gleed ze voorbij, haar gestalte vervagend in de verte. Ik stond stil, verankerd in het moment, mijn ogen volgden haar naar waar ze ging. In die ene vergankelijke seconde, besefte ik dat zij, die jonge vrouw, het vermogen had om mijn lot te bepalen – om mijn leven te verrijken met een overvloed aan geluk, of het te verpletteren onder het gewicht van onvervulde verlangens.

Het besef drong tot me door als een zachte bries door de bladeren, dat ik haar, met een opofferende liefde, zou kunnen liefhebben, beminnen. Ik koesterde de gedachte haar te moeten vinden, koste wat kost. Maar verstrikt in mijn eigen twijfels en angsten, bleef ik stilstaan, verlamd door een onbekende aarzeling die me tegenhield.

Sinds die betoverende ontmoeting denk ik nog vaak terug aan Amelisweerd, aan het jaagpad waar onze paden elkaar kruisten en vervolgens scheidde. In die verstilde momenten koester ik de herinnering aan jou, mijn verloren liefde, als een kostbare schat begraven in de grond van mijn hart.

Die jonge vrouw was jij, ik kan me niet vergist hebben.