Na de dood van Izebel werd de stad Jizreël, waar zij woonde, verwoest door vuur. Deze gebeurtenis is vastgelegd in 2 Koningen 9:37 en 2 Koningen 10:1.
Jehu kwam vervolgens aan de macht nadat hij door een profeet met de naam Elisa tot koning was gezalfd.
Nadat Jehu de opdracht had gegeven om het lichaam van Izebel te begraven, ging hij verder met het voltrekken van het oordeel over het huis van Achab en de volgelingen van Baäl.
Jehu beval de tempel van Baäl te vernietigen en veranderde deze in een latrine.
Bovendien riep hij op tot de executie van alle profeten en priesters van Baäl in de stad.



