In de weidse landschappen van Drenthe, waar de stilte door de bossen waait en de aarde onder mijn voeten fluwelig aanvoelt, sta ik, Jans genaamd. Mijn ziel, doordrongen van rusteloze avontuurlijkheid, verlangt naar de verhalen die hier in de wind worden gedragen, klaar om opgevangen te worden door een ontvankelijke luisteraar.
Aan de rand van een uitgestrekt veld, waar de horizon zich vermengt met de lucht, trekken de contouren van oude hunebedden mijn aandacht. Als stille getuigen van een ver verleden lijken ze te fluisteren over tijden die lang vervlogen zijn, en ik voel een onweerstaanbare drang om hun verhalen te ontdekken.
Langs slingerende paden en door kleine dorpjes trek ik voort, waar de lokale bewoners verhalen vertellen over de legendes die de hunebedden omringen. Ik hoor over reuzen die de stenen stapelden als monumenten voor de eeuwigheid, en over de Trechterbekermensen, wiens handen deze oude bouwwerken vormgaven.
Uiteindelijk bereik ik mijn bestemming: de hunebedden zelf. Daar, te midden van de majestueuze stenen, voel ik een diepe verbondenheid met het verleden. Ik zie de schaduwen van oude volken die hun geliefden begroeven met eerbied en respect, en ik voel de kracht van de tijd die zich in de stenen zelf verschuilt.
Terwijl de zon langzaam ondergaat en de lucht gevuld wordt met de kleuren van de schemering, besef ik dat de hunebedden niet slechts stille getuigen zijn van het verleden, maar levende verhalen, vervlochten met de ziel van het landschap. Ze spreken van de onvergankelijke kracht van de menselijke geest en de eeuwige dans van leven en dood.
Met een hart vervuld van ontzag en verwondering keer ik terug naar huis, beladen met verhalen die ik zal delen rond knetterende vuren. En terwijl de nacht valt en de sterren aan de hemel dansen, weet ik dat de verhalen van de hunebedden, als kostbare schatten, nooit verloren zullen gaan, maar voor altijd zullen voortleven in de harten van hen die luisteren.