789 woorden, 4 minuten leestijd
De lucht was zwaar en stil, alsof de wolken zelf hun adem inhielden. De zee rolde kalm en onbewogen tegen de kust, en de herfst had de wereld in zachte tinten van grijs en goud gedompeld. Een dunne mist hing over de golven, en boven de zee hingen donkere wolken, dreigend met regen, maar nog aarzelend. De geur van vochtige aarde en zeewier mengde zich met het scherpe aroma van rottende bladeren. Het was een dag waarin de tijd leek stil te staan, gevangen tussen zomer en winter.
Aan de rand van het strand, op een oude platte steen, zat Erin, haar ogen op de zee gericht. De wind speelde met haar grijze lokken, maar ze merkte het nauwelijks. Ze was verloren in gedachten, gevangen in de herinneringen van een andere tijd, toen ze jonger was, toen de dagen langer voelden en de wereld nog vol mogelijkheden zat. Ze keek naar de zee, maar zag niet de golven van nu. Ze zag de beelden van toen.
Hier, op precies dezelfde plek, had ze hem voor het eerst ontmoet. De herfst was toen ook in volle gang geweest, met de gouden bladeren die als een tapijt over het strand lagen en de scherpe lucht die hen omhulde terwijl ze samen liepen. De zee had kalm zijn en haar verhalen verteld, terwijl hij naast haar liep, zijn hand zachtjes de hare vasthoudend. Ze hadden gepraat, urenlang, alsof de wereld buiten hen niet bestond.
Zijn naam was Aeron. Hij had haar hart gewonnen met zijn stille glimlach en zachte woorden, en op een dag, precies op deze plek, had hij haar een roos gegeven, een enkele rode roos die hij zorgvuldig had meegenomen uit zijn tuin, als een symbool van zijn liefde. “Bewaar deze,” had hij gezegd, “voor de dag dat ik terugkom.”
Maar hij was nooit teruggekomen. De oorlog had hem geroepen, net zoals de zee soms haar diepte roept en golven meesleurt, zonder waarschuwing en zonder terugkeer. Hij was verdwenen in de chaos, verloren in de echo’s van een wereld die door vuur en kogels was verscheurd. De roos was verwelkt, net zoals haar hoop op zijn terugkeer.
Jarenlang had ze gewacht, keer op keer terugkerend naar dit strand, hopend op een wonder, een teken. Maar de zee had alleen haar eindeloze, onveranderlijke lied gezongen, zonder antwoord te geven. De witte lelies bloeiden elk jaar weer op tussen de rotsen, alsof ze haar herinneringen levend hielden. Maar geen enkel schip bracht hem ooit terug.
Vandaag was een dag als die van toen. De herfst zat in de lucht, met de koude wind die de geur van gevallen bladeren en natte grond met zich meedroeg. Ze keek naar de horizon, waar de zee en de lucht samenkwamen in een vage, grijze lijn. Ze voelde een stille aanwezigheid naast zich, alsof de herinnering van Aeron hier nog steeds leefde, zwevend tussen de wind en het zachte kabbelen van de golven.
Ze sloot haar ogen en liet de geluiden van de zee haar gedachten vullen. Ze hoorde weer hun gesprekken, hun gelach, de stille momenten waarin niets gezegd hoefde te worden, omdat hun harten in harmonie klopten. De platte steen waarop ze nu zat, was dezelfde waar ze vaak hadden gezeten, luisterend naar de golven en kijkend naar de lelies die zachtjes meewogen met de bries.
Plotseling voelde ze een lichte druk op haar schouder. Haar hart sloeg even over, alsof de tijd zich had hersteld, en voor een fractie van een seconde dacht ze dat het Aeron was, teruggekomen zoals hij had beloofd. Maar toen ze haar ogen opende, zag ze niets anders dan de mist die om haar heen danste. Alleen de geur van rozemarijn vulde de lucht, scherp en fris. Ze glimlachte zwakjes. Het was een teken, zo vertelde ze zichzelf. Misschien niet van zijn terugkeer, maar van zijn aanwezigheid die nog steeds in de wind leefde.
De middag ging langzaam over in de schemering. De mist werd dikker en het strand begon te vervagen in de schaduwen van de naderende nacht. Erin stond op, haar oude knieën kraakten, en ze voelde de kou die in haar botten trok. Maar ze voelde ook een vreemde vrede. Het was alsof de zee zelf haar iets had gegeven – niet de terugkeer van Aeron, maar een laatste groet, een herinnering aan de liefde die nooit helemaal verdween.
Langzaam begon ze terug te lopen naar het dorp, haar voetstappen zachtjes wegvagend in het zand. Achter haar zongen de golven nog steeds hun eeuwige lied, en de witte lelies bogen hun koppen voor de nacht. In haar hart, echter, bloeide nog steeds die rode roos die Aeron haar ooit had gegeven, een symbool van een liefde die, ondanks alles, de tand des tijds had doorstaan.