In een bijna grijs verleden, in de vorige eeuw nog. Wacht even, laat me je meenemen naar een wereld vol groen, gras- en gravelvelden en meer bepaald de sportcomplexen. Een wereld waar ik jarenlang mijn stempel heb gedrukt als een ware heerser over eerst de sporthallen, en later de voetbal- en korfbalvelden, maar ook de handbal- en honkbalvelden en natuurlijk enkele tennisbanen. Wacht, ik vergeet de atletiekbanen. Ja, ik was de grote man van de Utrechtse Dienst Sport & Recreatie, ahum… De groenexpert, de beheerder van het sportlandschap en alles wat daarmee te maken had. Klinkt indrukwekkend, nietwaar?
Maar laten we eens eerlijk zijn, wie zou er nou denken dat het onderhouden van gras, bomen en struiken zo’n spannend beroep is? Ik bedoel, wie wordt er ’s ochtends wakker en denkt: “Yes, vandaag mag ik weer lekker aan de slag met het maaien van grasvelden, het slepen van de gravel trainingsvelden en het snoeien van struiken!” Niemand, toch?
Maar goed, ik deed mijn werk met toewijding. Ik was als een ware kunstenaar die zijn penseel zwaaide over de groene canvas van de sportcomplexen. Het was een symfonie van grassprieten en bloeiende struiken en bloemen, een waar meesterwerk van landschapsbeplanting. Of nou ja, dat is wat ik mezelf vertelde.



Ik was de koning van het gras. De bos-, gras- en klepelmaaier waren mijn trouwe metgezellen, altijd klaar om de wildgroei te temmen. Ik wist alles van gras. Welke soorten er waren, in het Latijn, maar ook in beschaafd Nederlands, hoe je het moest maaien, hoe je het moest verzorgen. Het was een soort gedreven hobby geworden. Mijn collega’s lachten me uit. “Daar heb je hem weer, de grasgoeroe”, zeiden ze met een knipoog. Maar ik liet me niet uit het veld slaan. Ik wist dat mijn expertise onmisbaar was.
En dan waren er nog de bomen en struiken. Ze waren als kinderen voor me. Ik koesterde ze, gaf ze alle liefde en aandacht die ze verdienden. Ik was een ware bomenfluisteraar, altijd in gesprek met mijn groene vrienden. Misschien klinkt het gek, maar ik zweer je, ze begrepen me. Ik wist precies welke boom waar moest staan, welke struik het beste tot zijn recht kwam in welke hoek van het sportcomplex. Het was mijn groene speeltuin en ik was de dirigent van het landschap.
Maar laten we niet vergeten dat dit allemaal plaatsvond op sportcomplexen. Ja, sportcomplexen, de plek waar mensen samenkomen om zich in het zweet te werken en te genieten van de geneugten van de sport. En ik? Ik was de onzichtbare held die ervoor zorgde dat alles er piekfijn uitzag. Maar niemand bedankte me. Ze renden rond op de velden, trapten of gooiden een balletje, zweetten als een gek, maar wie dacht er aan de persoon die al dat groenbeheer mogelijk maakte? Niemand.
Dus daar stond ik, de groenexpert, de beheerder van het landschap op de sportcomplexen. Een cynische held in een wereld vol gras en bomen. Mijn levenswerk, waar niemand ooit echt de waarde van heeft ingezien. Maar weet je wat? Het maakt me niet uit. Ik was de koning van het groen, de meester van de sportcomplexen. En ik zal mijn grasvelden maaien en mijn bomen verzorgen tot mijn laatste snik. Oh wacht, dat laatste hoeft niet meer.