In de verraderlijke schoot van een junidag, ongebruikelijk en guur in de anders zo zonnige Franse Alpen, zocht ik troost op de rand van een oude rotsformatie. Uitgesleten door de tand des tijds, bood deze natuurlijke nis mij een ogenblik van rust. In een eenvoudige uitrusting van korte broek en een T-shirt tuurde ik niet in de diepte, bang voor de leegte die daar gaapte, een afgrond van wellicht wel honderd meter diep.
Hier, tegen de koude, ruwe rots geleund, verzamelde ik mijn krachten voor wat het laatste en zwaarste deel van mijn wandeling zou zijn. Boven mij rezen de bergtoppen, getekend door de elementen, die hun verhaal van koper en roest tegen een nauwelijks zichtbare strook blauwe hemel vertelden. De regendruppels, grotesk als insecten, vielen met doffe slagen, terwijl de lucht zinderde met de belofte van onzichtbaar naderend onweer.
Het duister verdichtte zich en de koude die zich langs mijn ruggengraat uitstrekte, werd steeds tastbaarder. De hemel opende zich met een toenemende hevigheid; de donder sprak nu in dreigende tonen.
Sinds Joyce haar vertrek was ik een schim van mijn vroegere zelf geworden, vervreemd van de vreugde en spontaniteit van het leven. In de monotone sleur van mijn bestaan vond ik geen antwoord op mijn telefoon, sloot ik me af van sociale interacties, en verslond ik boeken die ik reeds kende, hopend op een verdwaalde vonk van plezier. Joyce was meer dan een vriendin; zij was de ziel die mijn bestaan betekenis gaf.
Nooit meer voelde ik de warmte van een aanraking; mijn huid hunkerde naar de herinnering van haar handen.
Deze ochtend echter, in de schemering van de slaap, had zij mij opnieuw gevonden op de paden van mijn dromen. Zij had naar mij uitgereikt op een steile helling, haar silhouet een donkere vlek tegen de verblindende zon. Toen ik mijn ogen opende, was zij verdwenen, en liet mij achter met niets anders dan de sluimerende warmte van de ochtendzon die door de kieren van mijn jaloezieën viel.
De tocht naar de L’Homme de Beurre, aanbevolen door de serveerster van L’etable du Dahut als een plek van spirituele zuivering, begon onder een verkoelend bladerdek, maar ontaardde snel in een zware klim onder de verzengende zon.
Joyce had mij eens gevonden, verloren en alleen, en had mij liefgehad zoals ik was. Haar liefde was een baken geweest in mijn verwarde wereld.
Nu, terwijl ik aan de rand stond met de regen die steeds heviger neerstortte, overwoog ik de verleiding van de leegte. Misschien zou de natuur zelf mij meenemen, naar waar Joyce nu was.
Maar een flits van licht, gevolgd door de oorverdovende roep van de donder, haalde mij terug uit mijn overpeinzingen. De regen geselde mij nu, als straf.
“Het zijn net citroendruppels”, fluisterde Joyce haar stem, alsof zij naast mij stond in de storm. Het was haar eerste woord sinds haar vertrek. Haar stem was een balsem op mijn gewonde hart.
Ik opende mijn mond naar de hemel en proefde de regen—zoet en zuur tegelijk. Water verzamelde zich rondom mij, stroomde mijn kraag binnen, en bracht een rilling teweeg die mijn gehele lichaam doorliep.
Terwijl de stroom sterker werd, klampte ik me vast aan alles wat ik kon. Ik worstelde tegen de stroom in, mijn vingers krampachtig zoekend naar houvast, totdat ik mij uiteindelijk op veiliger, droger terrein bevond.
Uitgeput, maar levend, lag ik daar, mijn gezicht nog steeds naar de hemel gericht terwijl de regen onophoudelijk neerviel. Met een diepe zucht liet ik de echo’s van Joyce haar woorden mijn hart verzachten en mijn ziel verzadigen met een bitterzoete herinnering.
De wekker ging …