De pot met tanden
Op zolder staat een weckpot
met tanden.
Melktanden. Mijn melktanden.
(Althans dat zei mijn moeder.)
Ze spaarde ze.
Net zoals ze spaarde op spaarzegels,
Deventerkoek in de vriezer
en wrok tegen de kerk.
Elke tand heeft een verhaal, zegt ze.
“Deze kwam eruit met appelmoes.”
Ik geloof haar niet.
Eén tand heeft een scheurtje
waarin iets roods lijkt te zitten.
En soms, als ik de pot open,
ruikt het naar jodium
en naar het woord dat mijn vader niet uitsprak
toen hij verdween.
Toch bewaar ik hem.
Want wat overblijft, is vaak kleiner dan je dacht.
Het lintje van verdienste
Ik heb een lintje.
Niet van de koning,
maar van de juf in klas drie.
“Voor uitmuntende stilte tijdens groepswerk.”
Het zat vast met een paperclip
aan een servetje.
Ik heb het nog.
Mijn moeder dacht dat ik dood was toen ik het liet zien —zó stil was ik geweest.
Stil ben ik gebleven.
Ook toen die ander in mij uit het raam sprong
met een exotafles en een parachute van kussensloop.
Ook toen mijn vader riep dat hij “even weg was”.
Dat was in ’62. Hij is nog steeds even weg.
Ik draag het lintje niet.
Maar ik weet waar het ligt.
In een luciferdoosje.
Tussen een afgebroken sleutel en een glimlach die niet meer past.
Wat ik in de kelder bewaar
Niemand vraagt ooit
waarom ik de sleutel draag
aan een veter om mijn hals.
Hij tikt zacht,
precies zes keer per dag.
En alleen ik hoor het.
In de kelder staat een kist
die ik niet erfde, niet vond —
ik maakte hem.
Van vurenhout en stiltes.
Wat erin zit?
Een stem.
Niet van mij, maar hij kent mijn naam.
Soms, als het stormt,
hoor ik hem wiegen tegen het hout.
Dan zing ik zacht.
Iets uit mijn jeugd.
En hij luistert.
Hij weet dat hij mij heeft.