2000: De wandeling

2000: De wandeling

1.179 woorden, 6 minuten leestijd

Ik draaide de Eend langzaam het grind op en parkeerde hem precies waar ze het vroeg, tegen het hek van de begraafplaats. De neus van de auto stond gericht op een leeg en mistig niemandsland. Om ons heen hing de stilte die alleen vroege ochtenden kunnen dragen, een soort onuitgesproken belofte van wat nog zou komen. Zonder iets te zeggen begon ze haar hoofddoek los te maken, haar handen werkten met een haast koortsachtige precisie. Ze keek me aan, haar ogen vol schuldgevoel, alsof ze zich ergens diep van binnen schaamde voor wat ze ging doen.

“Sorry,” zei ze zacht, bijna fluisterend, “maar ik kan dat ding niet meer verdragen.” Met een korte, vastberaden beweging trok ze de doek van haar hoofd, en ik zat daar, verstijfd, zonder te weten wat te zeggen. Haar woorden hingen in de lucht, alsof ze wachtte op mijn oordeel. Maar ik wist niet wat ik moest denken.

“Misschien kun je even buiten wachten?” Ze wees naar haar lange gewaad. “Dit moet er ook af. Ik roep je wel als ik klaar ben.”

Verbijsterd stapte ik even naar buiten, mijn gedachten draaiden in cirkels. Wat is dit allemaal? Wat wil ze van me? Het voelde alsof ik in een situatie was beland waar ik helemaal niet thuishoorde. Het ongemak kroop in mijn nek, als een koude rilling. Maar voordat ik echt kon nadenken, klopte ze alweer op de voorruit. Met een lichte aarzeling stapte ik weer in, mijn hart bonsde in mijn borst. Ik wist niet waarom, maar iets aan deze situatie voelde alsof ik een grens had overschreden die ik niet eens had gezien.

Daar zat ze nu, met een prachtige, volle bos blauwzwart haar die als een waterval over haar schouders viel. Ze droeg strakke jeans en een lichtblauwe blouse, zo dun dat het zonlicht erdoorheen scheen. Alles aan haar was ineens veranderd. Waar ze eerder ingetogen en bijna onzichtbaar leek, was ze nu een andere vrouw. Mijn ogen dwaalden ongewild af naar haar rondingen, hoe haar jeans haar heupen benadrukten, hoe haar blouse bijna etherisch om haar lichaam hing.

“Wat ben je van plan?” vroeg ik zacht, nauwelijks durvend te spreken. Ik keek snel om me heen, mijn blik gleed over de graven, de oude zerken die de begraafplaats vulden. Het was nog vroeg, te vroeg voor bezoekers, maar toch voelde ik me bekeken, alsof de doden zelf ons gadesloegen. De klimop die om de verweerde grafstenen kronkelde, gaf het kerkhof een bijna verstikkende sfeer, alsof de herinneringen aan het verleden nog steeds probeerden de levenden te grijpen.

Ze glimlachte, een vaag, bijna achteloos gebaar, alsof het haar allemaal niets kon schelen. “Maak je niet druk,” zei ze met een wegwuivende hand, en ik voelde een vreemde mix van opwinding en ongemak door me heen gaan.

Ik voelde me als een jongen die voor het eerst iets deed wat niet mocht. De spanning van de onbehoorlijkheid hing in de lucht, tussen ons in. We hadden deze dag vrijgenomen, afgesproken om iets van een bedrijfsuitje te maken. Een dagje ontsnappen aan de regels, aan de sleur. Ze had me tijdens een werkpauze gevraagd of ik naar haar verhaal wilde luisteren. Misschien had ik wel goede raad voor haar, had ze gezegd. Er was iets aan haar wat mijn nieuwsgierigheid prikkelde, een soort verborgen energie, alsof ze iets te verbergen had waar ik nog geen grip op had.

Ze was niet per se knap, niet op de manier waarop sommige vrouwen dat zijn. Maar haar smaragdgroene ogen, diep en mysterieus, hadden een soort aantrekkingskracht waar ik me niet tegen kon verzetten. Vandaag zag ik haar voor het eerst zonder hoofddoek, en haar haar gaf haar gezicht een zachtheid die ik eerder niet had opgemerkt. Haar mond, met die dunne onderlip die leek alsof er met een kaasschaaf een plakje af was gehaald, maakte haar glimlach onbedoeld verleidelijk.

Ik was eerder bij haar thuis geweest, een eenvoudig huis vol geuren en geluiden die niet bij mijn wereld hoorden. Ze woonde met haar moeder, twee gescheiden zussen en een nichtje in een oud huis in een vergeten wijk van de stad. Zelf was ze ook gescheiden. Haar vader, vertelde ze me ooit, was een belangrijk man geweest in de landbouw in Irak, maar had moeten vluchten vanwege zijn meningen over de regering. Hij was kort na hun aankomst in Nederland overleden, en nu leefden ze onder het strenge toezicht van neven die zelfs hier, in een vreemd land, nog steeds de regels bepaalden.

Die wereld van haar begreep ik niet, en haar zussen zagen me als een vreemdeling, iemand die niet echt meetelde. Toen ik haar eens in mijn rode Eend had meegenomen om een fiets voor haar op te halen, hadden ze me uitgelachen. Of ik te arm was voor een nieuwe auto, vroegen ze. Ze hadden geen idee van de waarde van een perfect gerestaureerde Citroën 2CV. Ze snapten niets van mijn liefde voor de geschiedenis die aan die auto kleefde. Maar dat was prima. Ik hoefde niet begrepen te worden. Ik begreep hen ook niet, met hun statussymbool van dat Duitse merk met een ster voor op de motorkap.

We reden door het landschap, het bos steeds dichterbij komend, de lucht doordrenkt met de geur van lente. Na een rit van bijna een uur kwamen we aan bij een groot bos op de Veluwe. Ik parkeerde de Eend in een klein dorpje en stelde voor om eerst wat te drinken. In een kleine bakkerij bestelde ik koffie voor mezelf en thee voor haar, samen met een groot stuk appeltaart dat er zo verrukkelijk uitzag dat ik mijn honger nauwelijks kon bedwingen. De jonge vrouw achter de toonbank keek ons nieuwsgierig aan, vooral naar haar, haar ogen volgden de glans van het blauw-zwarte haar dat vrij over de schouders van mijn gezelschap viel.

Na de koffie trokken we onze schoenen uit bij de auto en wisselden ze om voor stevige wandelschoenen. Het voelde alsof we ons voorbereidden op een reis die langer en moeilijker zou zijn dan de paar uur die we voor ogen hadden. Het dorp achter ons latend, liepen we in de richting van het Zwolse bos, langs oude industrieterreinen en een verlaten camping. Het voorjaar hing in de lucht, een geurige mix van natte aarde, dennennaalden en de frisse geur van nieuw blad. De regenbui van de nacht ervoor had gele bloemen langs het pad doen opbloeien, hun kleuren fel tegen het groene grasland.

De stilte van het bos omringde ons. Alleen het geluid van onze voetstappen op het pad was te horen, het zachte knarsen van het grind onder onze zolen. Mijn gedachten bleven bij haar, bij wat ze wilde vertellen. Ik wist dat het moment zou komen, het gesprek waarvoor we hier waren.

“Waarover wilde je praten?” vroeg ik uiteindelijk, mijn stem zacht, alsof ik bang was de stilte van het bos te verstoren. Ik keek haar aan, terwijl we verder liepen, de bomen om ons heen als stille getuigen. Wat ze ook ging zeggen, het voelde alsof het alles zou veranderen.