In een tijdperk waarin de mensheid één taal deelde, verrees de Toren van Babel. Een machtig bouwwerk, reikend naar de hemel, werd het symbool van menselijke ambitie. Maar goddelijke woede greep de bouwers aan. In een moment van verwarring en chaos verspreidde God de talen over de aarde.

De eensgezindheid vervaagde en communicatie stortte ineen. De Toren van Babel werd een ruïne, bedolven onder de onbegrijpelijke diversiteit van talen. Mensen werden vreemdelingen voor elkaar, gevangen in de grenzen van hun eigen woorden.

Maar te midden van de verscheidenheid, ontstond er ook schoonheid. Culturen bloeiden en nieuwe perspectieven werden gevormd. En terwijl de toren verbleekte in de geschiedenis, onthielden de mensen de les: dat ware eenheid niet wordt gevonden in een fysieke structuur, maar in begrip en respect voor elkaars verschillen.
