Juni 2017, Saint Gilles Croix de Vie. De thermometer toonde die dag 33°C. De golvende zandduinen leken op de ruggen van slapende reuzen. Ik stapte uit de auto en voelde hoe het fijne zand zich als vloeibare zijde tussen mijn tenen nestelde. Voor mij strekte de oceaan zich uit, onverschillig en eindeloos, met golven die zachtjes het oppervlak beroerden en slechts rimpelingen achterlieten. “De ergste zomer ooit”, dacht ik, terwijl ik rondkeek. Het strand was verlaten, enkel het zachte geruis van het kabbelende water en het gefluister van de wind braken de stilte.
Met een zucht pakte ik mijn tas en volgde de sporen van mijn gezin dat zich verderop aan het installeren was. De hitte was verstikkend, en ik was dankbaar dat Joyce een parasol had meegenomen. Ik liet me neerploffen op een van de strandstoelen en observeerde hoe mijn dochter Evy enthousiast schelpen verzamelde en een zandkasteel bouwde. Haar vrolijkheid stond in schril contrast met mijn humeur.
Ik verbeeldde me thuis te zijn, onder de koele bries van de airconditioning, genietend van een film met een groot glas Weißherbst Schorle binnen handbereik. Maar hier was ik, gestrand op dit hete strand met mijn te vrolijke gezin. Besmeurd met zand en zout water sloot ik mijn ogen en stelde me voor in de koelte van ons huis, omringd door koele drankjes en hartige hapjes. Het was zinloos. Elke keer dat ik mijn ogen sloot, werd ik abrupt uit mijn dagdroom gehaald door een natte hand die me richting de oceaan trok of door vallende waterdruppels.
Gefrustreerd stond ik op, verzamelde mijn spullen en sjokte naar de trap die naar de duinen leidde, zonder acht te slaan op het zandkasteel dat Evy had gebouwd. Achter mij klonk het geschreeuw van enkele meeuwen. Ik nestelde me opnieuw in een stoel, zette de parasol op en nam een grote, verfrissende slok uit mijn waterfles. Dit was beter dan bij mijn uitbundige gezin te zijn.
Ik sloot mijn ogen. Maar al snel, toen mijn gezinsleden op zoek naar schaduw dichterbij kwamen, schopten ze zand in mijn ogen terwijl ze zich naast me installeerden. Dit was ondraaglijk. Waar ik ook heen ging, mijn gezin volgde me, als een zwerm die een enkele bloem niet kon loslaten.
Ik kon het niet meer aan. Met een blik vol verontwaardiging keek ik hen aan, en de stilte die volgde was veelzeggend. Joyce en Evy dropen af, hun gezichten getekend door verbazing en lichte afkeuring. Eindelijk had ik mijn rust. Ik leunde achterover, de koele schaduw omarmde me, en ik sloot mijn ogen opnieuw. Voor tien glorieuze minuten was ik alleen, ongestoord.
Maar die rust was te mooi om waar te zijn. Plotseling voelde ik handen aan mijn armen trekken, en voor ik het wist, werd ik meegesleurd naar de oceaan. Mijn verzet was tevergeefs. Het water omhulde me en de kou sneed door mijn huid. Dit was werkelijk de slechtste zomer ooit.
Ik keek naar de horizon, de zon hoog aan de hemel, en elke golvende rimpel in de oceaan leek mijn ergernis te weerspiegelen. Nooit zou ik deze zomer vergeten. Nooit.