844 woorden, 4 minuten leestijd
De mist hing laag over de heuvels, en de lucht leek op een grijze sluier die over het land was gelegd. Het was herfst, en de bladeren van de bomen hadden hun goudgele pracht al verloren. Ze lagen nu als een versleten tapijt over de paden en modderige velden. De wind blies zachtjes over de open vlaktes en fluisterde oude verhalen van tijden die al lang voorbij waren. Een eenzame kraai zat boven op een kale tak, roerloos, wachtend op de regen die onvermijdelijk zou komen.
Aan de rand van het meer, waar het water in zachte golven tegen de stenen oever klotste, stond Judith. Ze hield haar mantel stevig om zich heen tegen de kille wind, haar ogen op de verre horizon gericht. Het was daar, aan de overkant van het water, dat het eiland Phy lag. Ze had er haar hele leven over gehoord in de verhalen van haar grootmoeder. Phy, het eiland van mist en bergen, van oude legendes en verloren dromen.
Ze had de beslissing een week eerder genomen. De herfst had altijd een vreemd effect op haar, alsof de vallende bladeren haar ziel raakten, haar eraan herinnerend dat ook haar tijd wegtikte. Ze was nog jong, maar de herinnering aan haar moeder, die jaren geleden op een donkere herfstavond stierf, bleef haar achtervolgen. Haar moeder had haar leven lang naar Phy verlangd, maar was er nooit geweest. Nu, in de eenzaamheid van haar kleine huisje aan het meer, voelde Judith dat het haar beurt was om te gaan.
De wind bracht een nieuwe golf van koude lucht, en ze wist dat ze niet langer kon wachten. Ze had alles voorbereid: het kleine bootje dat haar over het water zou brengen, de eenvoudige bagage met wat brood en een fles whisky om de lange tocht door de nacht te overleven. Ze ademde diep in en liep langzaam naar het water, haar laarzen knarsten over de kiezels.
Het water was donker en glinsterde in het weinige licht dat door de dikke wolken brak. Judith stapte in de boot en pakte de roeispanen stevig vast. De wind huilde om haar heen, alsof de geesten van het verleden haar waarschuwden. Maar ze luisterde niet. Ze moest naar Phy. Voor haar moeder, en misschien ook een beetje voor zichzelf.
Met elke slag van de roeispanen trok ze verder van de kust, de koude lucht sneed langs haar wangen, en de mist leek zich nog dikker om haar heen te sluiten. Het enige geluid was het zachte geplons van de riemen in het water en de zucht van de wind die over het meer trok. Phy was niet te zien; het eiland was gehuld in de mist, alsof het zich schuilhield voor degenen die haar zochten.
Terwijl de uren voorbijgleden, voelde Judith haar armen moe worden. Ze stopte even om op adem te komen en liet de boot zachtjes meedrijven. De nacht viel en de wereld om haar heen leek in duisternis op te lossen. Ze keek omhoog naar de hemel, maar zelfs de sterren waren verstopt achter de wolken. Ze was nu helemaal alleen, een klein stipje op het uitgestrekte, zwarte water.
De stilte was bijna ondraaglijk. In de verte hoorde ze het zachte gebulder van de golven die tegen de rotsen van Phy sloegen. Een vreemd gevoel van rust overviel haar. Misschien was het het eiland dat haar riep, zoals het zoveel zielen door de eeuwen heen had geroepen. Ze glimlachte zwakjes bij de gedachte dat ze eindelijk de reis maakte die haar moeder nooit had kunnen maken.
Maar terwijl ze verder roeide, begon de wind aan te zwellen. De golven werden hoger, en het water spatte over de rand van de boot. Ze vocht tegen de elementen, haar spieren brandend van de inspanning. De regen begon in dunne strepen neer te dalen, koud en genadeloos. De mist werd dichter, en het eiland leek verder weg dan ooit.
En toen, plotseling, zag ze het. De vage omtrek van een rotsige kust, de donkere schaduwen van bergen die uit de zee rezen. Phy. Ze had het gehaald. Een gevoel van opluchting spoelde door haar heen, samen met de regen die haar gezicht doordrenkte.
Ze zette de boot aan land, haar benen trilden onder haar toen ze op het ruwe zand stapte. Ze keek omhoog naar de bergen die in de nevel leken op te lossen, en een diepe stilte hing over het eiland, alsof het de komst van een oude vriend begroette. Judith viel op haar knieën en voelde de koude grond onder haar handen. Haar moeder zou trots op haar zijn, dat wist ze zeker.
Het eiland Phy, met al zijn mysteries en oude verhalen, had haar ontvangen. En hoewel ze niet wist wat de toekomst voor haar in petto had, voelde ze een diepe vrede. De reis was ten einde, maar iets nieuws begon. De herfst mocht dan voorbijgaan, net zoals alles in het leven, maar sommige herinneringen, zoals de liefde voor een verloren moeder, zouden blijven. En in die liefde vond ze haar rust, daar aan de rand van de wereld.