Het is weer tijd voor een nostalgische trip terug naar de goede oude dagen toen wij, jonge straatjochies, in de lagere schoolleeftijd, ons vermaakten met als doelpalen fungerende jassen, truien of andere kledingstukken en een bal. Straatvoetbal was de ultieme manier om onze energie kwijt te kunnen en uit te leven. Voor onze ouders om gek van ons te worden, er werd altijd wel over ons geklaagd over onze partijtjes op straat. Want, eerlijk gezegd, wie had er nu behoefte aan een echt voetbalveld toen je de stoep voor het buurthuis aan de Vlijtstraat als een waar voetbalstadion kon gebruiken?
De Vlijtstraat, eigenlijk een vrij rustige straat in onze buurt, was het decor van veel avonturen en lots bepalende momenten. En het buurthuis met zijn brede stoep was de perfecte plek om onze voetbalkunsten te laten zien. Oorspronkelijk was dit gebouw de thuishaven voor metaalarbeiders. Zij leerden op deze school in een grijs verleden het vak, er werd daar onderwezen in metaal boren, zagen, slijpen, lassen, buigen, monteren, snijden, kanten en zetten. En wij? Wij speelden voetbal voor het leven, met alles of niets, en dat leverde soms enige… laten we zeggen, “onrust” op bij de bewoners van de tegenoverliggende huizen.
Een bepaalde “buurvrouw” aan de Vlijtstraat, ik ben haar naam kwijt, vlak om de hoek bij de Wolfstraat, eerste of tweede huis, was onze aartsvijand. Ze had echt een hekel aan ons lawaai, aan ons roepen, aan ons rennen en aan onze voetballen die zo heel af en toe tegen haar deur kwamen. Ja, dat gebeurde wel eens, maar wie kon ons dat nu verwijten? We waren jong, wild en vrij!
We hadden echter een heel goede verontschuldiging voor ons gedrag: we waren bezig met de belangrijkste zaak in ons leven, namelijk het winnen van een eigen straatvoetbalcompetitie. Dat was ons WK, ons ticket naar de glorie. En wie kon ons dat kwalijk nemen? Zeker niet de buurvrouw, want zij begreep het gewoon niet.
Ik herinner me nog goed hoe we de stoep voor het buurthuis in tweeën verdeelden met een denkbeeldige lijn in twee helften, kleding neerlegden als doelpalen en hoe we dan begonnen te spelen alsof ons leven ervan afhing. We waren de beste spelers ter wereld, de nieuwe Tonny van der Linden, de nieuwe Cruyff of Pelé. We maakten doelpunten alsof het een soort competitie was wie de meeste kon maken. En de buurvrouw? Die stond aan de overkant van de straat, haar armen vijandig over elkaar, zuchtend, steunend en ons verwensend.
Maar het was niet alleen die buurvrouw. Er waren ook anderen die niet begrepen waarom wij zo veel lol hadden en waarom wij niet gewoon braaf in de speeltuin rondhingen of thuis bleven om spelletjes te spelen. Zij snapten niet dat wij ons prima konden vermaken met een bal, om te rennen, om te schoppen en om te winnen.
En toen, plotseling, was het voorbij. De dag dat de buurvrouw ons verboden had te spelen op de stoep van het buurthuis, ze had het via onze ouders gespeeld. Luisteren deden we niet, gewoon weer voetballen. Tot de bal voor haar voeten terechtkwam, zij hem opbeurde en er met een schaar woest op in stak. Lek, stuk… We waren aangedaan, vernietigd, kapot van verdriet. Onze voetbalwereld was ingestort. We hadden geen idee hoe we zonder ons favoriete voetbal moesten leven. Maar we waren jong, een nieuwe bal werd snel gevonden en vonden het verstandig om even een paar dagen niet te gaan voetballen aan de Vlijtstraat. Aan de andere zijde van de Wolfstraat, daar waar een deel van de Daalsedijk plaats moest maken voor de nieuwe Leidseveertunnel, was ook ruimte. Niet erg gezellig, maar toch, ruimte. We hadden het gevoel dat we daar een uitwedstrijd speelden.
En nu, terwijl ik terugkijk op die tijd, besef ik dat dat straatvoetbal van ons niet alleen een spel was, maar ook een les in het leven. Winnen of verliezen, het deed er niet toe, plezier maken, daar ging het om. Het was de manier om je jeugd te ervaren, om te genieten van de vrijheid en de ongebreidelde energie die we toen hadden. En hoewel de buurvrouw ons misschien nooit heeft begrepen, begrijpen wij nu dat zij ons heeft geholpen om onze eigen weg te vinden, onze eigen voetbalvelden te vinden en ons eigen leven te leven. En dat is pas echt winnen.