Ed en Raiya sluipen geluidloos door de fabriekshal. Fluisterend geeft ze hem te kennen om een beetje rustiger aan te doen. Op de schoenen die bij haar nieuwe uiterlijk horen, schiet ze niet echt op. Haar enkels en knieën protesteren net iets te veel, waardoor het lijkt alsof haar benen, heel onlogisch, elk moment onder haar frêle gewicht kunnen bezwijken. Een geluid achterin de hal doet hen beiden opschrikken. Met zijn wijsvinger voor zijn mond maant Ed haar tot stilte. Ze kijkt geërgerd voor zich uit. Hij hoeft haar niet te vertellen dat ze stil moet zijn. Ze heeft in haar leven al genoeg haar mond moeten houden. Vooral in de periode nadat haar vader overleed en de neven de regie van de familie overnamen. Nu ze zich probeert los te maken van familie en ex, wil ze van niemand meer een commando om stilte horen. Ook niet van hem.
Het geluid achterin de hal is nog maar flauw te horen, iets wat op krassen lijkt. Het geluid doet haar vaag denken aan hoe ze vroeger wel eens met haar vader een oude plank of tak bewerkte. Met een lompe grote spijker en een bot mes. Beschermend fluisterde hij in haar oor, toen hij haar het mes cadeau gaf, dat hij niet wilde dat ze haar mooie vingertjes zou bezeren. Ze hadden pijl en boog gesneden van die takken en haar naam en die van haar zussen in de oude planken gekrast. Ze botst bijna tegen Ed aan wanneer hij abrupt stilhoudt en naar rechts voor zich uit wijst.
“Het komt daar vandaan, voorzichtig.”
Lenig op de voorvoeten sluipt Ed richting het geluid. Gebukt en zijn hoofd laag houdend, gebiedt hij haar hem te volgen.
“Ja, ja, ik weet het wel.”
Raiya gaat geërgerd en uit protest rechtop staan, en meteen duikt Ed op haar af.
Klik op een foto voor een vergroting!



“Doe nou geen stommiteiten, luister nou eens een keertje naar mij.” Met zijn rechterhand op haar hoofd duwt Ed haar naar beneden, op haar hurken. “Ik weet dat je moeite hebt met mijn bevelende vragen, maar het is voor onze veiligheid dat ik ze je geef. Ik heb geen zin om weer een pak slaag te krijgen omdat jij zo nodig gepikeerd moet zijn.”
Raiya knikt gedwee, maar ze weet al dat ze bij een volgende gelegenheid van zich zal laten horen. Ademloos blijven ze nog even op de hurken zitten, om te luisteren of hun onderlinge strijd door anderen is opgemerkt. Wanneer ze merken dat dit niet het geval is, sluipen ze verder. Het gekras wordt duidelijk luider, maar nu aangevuld met zachte, doffe dreunen. Raiya begrijpt meteen wat dat betekent en springt op. Ze overbrugt de tien meter die haar scheidt van de plek waar het geluid vandaan komt en staat klaar om te proberen het deksel van een twee meter lange, handgemaakte kist open te krijgen. Het is een onbegonnen taak; om de twee à drie centimeter zijn de spijkers met een drevel dieper in het oude, droge pallethout geslagen om het openen te bemoeilijken.
“Daar, dat stuk ijzer,” wijst Ed in de richting van een breekijzer, en het verbaast hem dat ze nu zonder haar bekende vuile blikken zijn commando opvolgt. “Kijk eens rond of er niet nog zoiets ligt.”
Krakend laten de eerste planken al los, en in het halfduister ziet Ed meteen dat het niet goed is. Aan de binnenkant van wat het deksel moet voorstellen, zijn duidelijk de krassen te zien die de jonge vrouw in de kist heeft gemaakt om eruit te komen. In een plank steekt zelfs een stukje nagel. Raiya zakt vermoeid en verslagen door haar knieën wanneer ze ziet wie ze zojuist hebben bevrijd.