511 woorden, 3 minuten leestijd
Het scherpe geluid van een rits die sluit lijkt een alledaagse handeling, maar er schuilt iets onherroepelijks in. Een lichte aarzeling, gevolgd door het gestage ritselen van de stof die zich strak sluit om de kou buiten te houden. De wereld lijkt even stil te vallen, alsof zelfs de lucht wacht. Het is een overgang: van kille buitenlucht naar warme beschutting, van het onbekende naar vertrouwdheid. Een simpele beweging, en er is geen weg terug. Sommige momenten in het leven voltrekken zich net zo, bijna onopgemerkt. Je ritst je jas dicht tegen de kou, en zonder dat je het doorhebt, is er iets veranderd. De lucht lijkt anders, het licht scherper. Zoals de bladeren in stilte voor de wind buigen, zo voltrekt zich een overgang die je pas later opmerkt. Net als een rits die sluit, zijn sommige momenten definitief. Je kunt de rits niet zomaar terugtrekken, net zoals sommige keuzes of ervaringen onomkeerbaar zijn.
Vaak beseffen we pas later de betekenis van zulke handelingen. Het sluiten van een rits voelt veilig, het beschermt je tegen de elementen. Maar die veiligheid is tijdelijk. Net zoals je een grens overgaat wanneer je je jas dichtdoet, zo overschrijden we zonder het te merken bepaalde grenzen in het leven. We sluiten ons af van de buitenwereld, omhullen ons met de illusie van zekerheid, maar de wind waait altijd door, hoe beschermend de stof ook is. Het geluid van de rits breekt de stilte, scherp en mechanisch. Het is een geluid van afsluiting en afscheiding, maar ook van bescherming. We hullen ons in de stof, alsof we een deur sluiten naar wat ons bedreigt, terwijl de wereld buiten onverminderd doorgaat. En toch, zoals mijn oma altijd zei, blijft er een zekere weemoed hangen op momenten dat je jezelf probeert af te schermen – alsof je weet dat die bescherming nooit helemaal genoeg is. Zelfs de schoonheid van het moment lijkt doordrongen van zijn eigen vergankelijkheid. De stof spant zich om ons heen, net zoals onze gedachten zich om herinneringen wikkelen – om wat achter ons ligt.
Er is troost in die handeling. De rits is dicht, de kou blijft buiten, en voor even lijkt het alsof we onszelf hebben afgeschermd van wat ons bedreigt. Maar net zoals een jas slechts een dunne laag vormt tegen de kou, weten we dat de veiligheid die we zoeken nooit volledig is. De kilte van het onbekende blijft altijd voelbaar. De wereld verandert, en hoezeer we ons ook proberen af te sluiten, er komt een moment waarop we de rits weer moeten openen. Misschien is dat wel het meest betekenisvolle aan deze handeling: het sluit iets af, maar laat ons ook in een ruimte waarin we niet kunnen blijven. De bescherming van de jas is tijdelijk, net zoals onze pogingen om vast te houden aan wat we kennen. We zijn altijd onderweg, de kou in, de toekomst tegemoet. Het geluid van de rits herinnert ons eraan dat we verder moeten. De rits sluit, maar de weg ligt open. Misschien is dat wel de essentie: elke afsluiting is ook een nieuw begin.