← Jans MulderAlle verhalen
Persoonlijk · 1356 woorden · ca. 7 min lezen

Hoe ik hardloper werd

Van moeizaam trimmen en 104 kilo naar halve marathons, atletiekwedstrijden en een levenslange belangstelling voor de kunst van het hardlopen.

Begin jaren tachtig deed ik samen met een kameraad, mijn latere zwager Peter, al eens een poging om te gaan trimmen. Zo noemden we hardlopen toen nog. Erg succesvol waren die eerste pogingen niet. Meestal hielden we het na een kwartier, hooguit iets langer, alweer voor gezien. Daarna duurde het weken voordat we opnieuw voldoende moed hadden verzameld om een stukje te gaan draven.

Na de zoveelste mislukte poging gooide ik de handdoek in de ring. Hardlopen was blijkbaar niets voor mij. Althans, dat dacht ik toen.

Het duurde tot begin 1986 voordat ik het opnieuw durfde te proberen. En dat had ik eigenlijk te danken aan een toevallige samenloop van omstandigheden.

Het was begin februari toen een aangewaaid familielid mij vroeg of ik hem naar Landsmeer wilde rijden. Hij zou daar deelnemen aan een halve marathon en kon wel een chauffeur gebruiken. Het voetballen was die dag toch afgelast, dus waarom niet?

Dat familielid was Henk Herszkowicz, door ons nogal oneerbiedig 'die ouwe' genoemd. Ik heb die dag mijn ogen uitgekeken. Al die hardlopers, de sfeer rond de wedstrijd en vooral het gemak waarmee sommigen over het parcours leken te vliegen. Er begon iets te kriebelen.

Helemaal toen Henk zijn halve marathon aflegde in ongeveer een uur en een kwartier.

Ik keek ernaar en dacht: dat kan ik ook.

Achteraf bezien misschien een wat overmoedige gedachte voor iemand die op dat moment 104 kilo woog en bij eerdere hardlooppogingen nauwelijks verder was gekomen dan een kwartiertje draven. Maar goed, ergens moet een mens beginnen.

Diezelfde avond, terug in Utrecht, ging Henk nog een stukje uitlopen. Hij vroeg of ik zin had om mee te gaan. Gewoon rustig, op een slakkengangetje.

Het sneeuwde die avond. Ergens in de omgeving van de Utrechtse Amsterdamsestraatweg gingen we op pad. Henk liep ontspannen naast me, terwijl ik hijgend en puffend mijn best deed om hem bij te houden. Veel werd er niet gezegd. Daar had ik trouwens ook nauwelijks lucht voor.

Maar het wonderlijke was dat het lukte.

Wat me in de jaren daarvoor nooit behoorlijk was gelukt, ging die avond ineens wel. Met mijn 104 kilo jogde ik vier kilometer in iets minder dan een halfuur.

Een hardloper was geboren.

En zoals dat bij een kersverse enthousiasteling kan gaan, sloeg ik vervolgens meteen een beetje door. Elke avond met Henk vier kilometer, weer of geen weer.

De zaterdag daarop stond ik al aan de start van een trimloop in Bennekom. Daar maakte ik voor het eerst echt kennis met het hardloperswereldje, inclusief de eigenaardige humor die daar kennelijk bij hoorde.

Ik werd voorgesteld aan een wat oudere man, met de nadrukkelijke mededeling dat ik tijdens de wedstrijd vooral bij hem moest blijven. Dat leek me een uitstekend plan.

Totdat het startschot klonk.

Ik heb zijn rug nog even gezien. Bij de start, welteverstaan.

De man was Jan van Ginkel, die in 1955 Nederlands kampioen op de marathon was geworden. Ook op zijn inmiddels gevorderde leeftijd bleek hij voor mij veel te snel. En hij liep daar nota bene de twaalf kilometer, terwijl ik al genoeg te stellen had met mijn zes kilometer.

Over die zes kilometer lange ronde deed ik 29 minuten en nog een beetje. Voor een beginneling met mijn gewicht vond ik dat bepaald niet verkeerd.

Mijn begeleider zag er kennelijk voldoende mogelijkheden in om de zaken meteen wat serieuzer aan te pakken. De week daarop werd er iedere avond tien kilometer gelopen. Zweten, zwoegen en soms zelfs bloeden.

Dat laatste had overigens niets met heroïsche sportprestaties te maken. Mijn teennagels waren simpelweg te lang. Ook dat bleek iets te zijn waar een hardloper rekening mee moest houden.

Een week later stond ik alweer aan de start van een wedstrijd over tien kilometer, volgens mij in Gouda. Ik deed er 52 minuten en een beetje over en de weegschaal gaf inmiddels 101 kilo aan.

Blijkbaar werkte het.

De dagen daarna werd er gewoon verder getraind. Iedere dag lopen, met afstanden die varieerden van tien tot ongeveer vijftien kilometer. Rustdagen? Daar hadden we het nauwelijks over. Van Start to Run of een verantwoord beginnersprogramma had ik nog nooit gehoord.

En zo gebeurde het dat ik, amper drie weken na mijn eerste besneeuwde rondje in Utrecht, alweer aan de start stond van een halve marathon in de omgeving van Woerden.

Ik liep 1 uur en 39 minuten. En nog wat.

Vooral dat 'nog wat' vond ik belangrijk. Want als je eenmaal met tijden bezig bent, telt iedere seconde.

Die avond stond ik opnieuw op de weegschaal. 99,1 kilo. Voor het eerst sinds lange tijd was ik onder de honderd kilo gedoken.

Maar wat had ik een pijn!

Overal waar ik dacht dat mijn lichaam geen spieren had, bleken ze toch te zitten. En allemaal lieten ze nadrukkelijk weten dat ze het niet eens waren met mijn plotselinge sportieve ambities.

Toch stopte ik niet.

‘Uitlopen is de beste masseur’, werd me voorgehouden. Een uitspraak waar ik toen veel vertrouwen in had en waarvan ik nog steeds begrijp waarom die me zo is bijgebleven.

Mijn hardloopcarrière begon dus met een vliegende start. Misschien zelfs iets te vliegend. Gelukkig kwam er daarna wat meer rust en regelmaat in mijn trainingen.

Ik werd lid van BAV in Baarn, een vereniging waar ik gedurende de vele jaren van mijn lidmaatschap ontzettend veel heb geleerd. Niet alleen over hardlopen, maar ook over trainen, geduld hebben en soms juist iets niet doen.

Want dat laatste moest ik nog leren.

In de jaren die volgden veranderde er veel. Mijn gewicht daalde uiteindelijk tot een minimum van 78 kilogram en ik ontwikkelde me tot een loper die zich niet tot één afstand beperkte. Van de 100 meter op de atletiekbaan tot de marathon op de weg, ik vond het allemaal interessant.

Juist die afwisseling maakte de atletiek voor mij zo aantrekkelijk. Een sprint vroeg iets heel anders van je lichaam dan een langeafstandswedstrijd. En telkens ontdekte ik dat er nog iets te leren viel.

In mijn latere jaren bij BAV besloot ik daarom ook een trainersopleiding te volgen. Niet omdat ik dacht alles al te weten, maar juist omdat ik steeds nieuwsgieriger werd naar wat er met een goede trainingsaanpak allemaal mogelijk was.

Zo kwam ik uiteindelijk in aanraking met de Methode Verheul.

Niet via de lesboekjes van de KNAU, maar aanvankelijk door goed naar andere atleten te kijken. Vooral tijdens wedstrijden viel me iets merkwaardigs op.

In de winter, tijdens de crosswedstrijden, kon ik bepaalde lopers gemakkelijk bijhouden of zelfs voorblijven. Maar zodra in het voorjaar de blaadjes weer aan de bomen kwamen, leek er iets met diezelfde atleten te gebeuren.

Dan snelden ze mij ineens voorbij.

En soms zag ik ze pas bij de finish terug.

Hoe kon dat toch? Wat deden zij anders? Trainden ze harder, slimmer of misschien juist minder? Het waren vragen die me behoorlijk bezighielden.

Ik wilde weten wat daarachter zat. Niet zomaar om sneller te worden, maar omdat ik begon te begrijpen dat hardlopen veel meer was dan alleen maar kilometers maken en proberen zo diep mogelijk te gaan.

Er zat een hele wereld achter van trainingsvormen, herstel, ritme en geduld. Een wereld waarin ik nog heel wat te ontdekken had.

Als ik nu terugdenk aan die eerste weken in 1986, moet ik er weleens om glimlachen. Een man van 104 kilo die nauwelijks een kwartier kon trimmen, maar na het zien van een halve marathon dacht dat hij dat ook wel even zou kunnen.

Drie weken later had ik er zelf een gelopen.

Verstandig was die aanpak waarschijnlijk niet. Maar zonder die onbevangen overmoed was ik misschien nooit aan het hardlopen begonnen.

En zonder dat besneeuwde rondje door Utrecht had ik waarschijnlijk nooit ontdekt hoeveel plezier, voldoening en bijzondere herinneringen deze sport me zou brengen.

Van die eerste vier kilometer tot mijn latere persoonlijke records op de baan en de weg. Het begon allemaal met een simpele uitnodiging om een stukje mee te lopen.

Wat er daarna volgde, had ik op die winteravond onmogelijk kunnen bedenken.

En de Methode Verheul? Die zou later nog een heel bijzondere plaats in mijn hardloopverleden krijgen.

Maar dat is weer een ander verhaal.

← Alle blogverhalenHome
↑ Naar boven