Le Fenouiller

Het dorp waar ik woon is gauw bekeken, een lange weg met aan beide zijden witte huizen, immer ommuurd met lage daken en de altijd gesloten lavendelblauwe luiken aan de straatzijde. Natuurlijk staat er een kerk, statig, vroom en van verre zichtbaar, als baken voor de streek. En gebruikelijk zoals in meerdere kleine gemeenschappen, daar recht tegenover het café annex restaurant. Verder beschikt mijn dorp over drie kapsters waarvan er een uitsluitend voor trouwe viervoeters bestemd is. Voor het hoognodige is er een kleine superette annex slagerij, gelegen tegenover de boulanger waar je zoals gebruikelijk, buiten op straat in de rij moet aanschuiven om er, na een gemiddelde wachttijd je deegwaren te bestellen. Onze plaatselijke bakker is deze morgen vroeg een en al bedrijvigheid, nu meer dan anders vertelde de liefelijke jongedame achter de toonbank mij. De knapperige en naar meer smakende “pain de campagne” en “baguettes” waren niet onopgemerkt aan een hele rits landelijke keurmeesters voorbij kunnen komen. De gewonnen Medaille d’Argent zorgde voor een grote toeloop nieuwsgierigen uit de regio en ver daarbuiten. De bakkersvrouw vertelde zelfs van Parijzenaars die vroeg op pad de zilveren smaak van de bakkerij in Le Fenouiller op de eigen papillen wilden laten prikkelen. De vergelijking met de in Nederland bekende haring-, of oliebollentest is gauw gemaakt maar slaat de plank volledig mis. Brood is hier in Frankrijk een veel meer serieuze gelegenheid om het met een bedenkelijk cijfer in een landelijk ochtendblad af te doen.

Met mijn stokbrood onder de snelbinder fietste ik, langs uitgestrekte landerijen, richting de levensader van het dorp, heel toepasselijk genoemd naar het leven dat zij dagelijks beïnvloed, La Vie. Hoe mooi kun je een rivier met deze naam eren? Kronkelend vind de stroom haar weg door het licht heuvelig landschap, rustig kabbelend vanaf het Lac l’Apremont bereikt het na vele rustige mijlen een voor haar onneembare barrage waarachter de zoetgevooisde La Vie overgaat in een onstuimiger zilte tegenhanger als waren het de levens van dr. Jekyll en mr. Hyde. Gevoed door de getijden van het water uit de Golf van Biskaje golft het leven achter de barrage op en neer, de zoutpannen na elke getijde vullend om de plaatselijke bevolking een kans te geven het achtergelaten zout in wonden te strooien.

Genietend van het uitzicht op Saint Hillaire aan de einder en de nog aanwezige koeien in de weide op de andere oever zette ik mij op een bankje aan de rivier en liet me door de herfstzon opwarmen. Het duurde niet lang of ik kreeg gezelschap van andere vroege vogels, een vrouw kwam aangewandeld, een klein meisje aan haar hand meevoerend. Ze droeg een groene knielange winterjas, gevoerde laarzen van dezelfde kleur en had een grijs wollen sjaal strak om haar hoofd geknoopt. Bij mijn zitplaats bleef ze staan en zei, ‘Voor mij is het hier veel te koud om te gaan zitten. Al kleed ik me nog zo goed aan, nog heb ik het koud. De kou is te vochtig, dat kruipt in mijn botten.’ Haar huid was wat vaal, alsof het lange tijd niet gewassen is. Ondanks het zangerige van het accent in deze regio klonk zij moe, misschien wel opgebrand, uitgeblust. Ze klaagde nog even door en ondertussen nam ik het meisje, wat doodstil naast haar bleef staan in mij op. Haar koningsblauwe jas was met pas gepoetste koperkleurige knopen hoog, tot onder haar kin toegemaakt. Ze had prachtige amandelvormige ogen en op haar donkere krullen droeg zij een kleine robijn rode muts. Ze leek wel een oosters prinsesje, ver verwijderd van een feeëriek fantasierijk. Zonder dat ik ook maar een woord van het vervolg van haar klaagzang heb gehoord stapte de vrouw en haar koninklijk gezelschap, na mij gegroet te hebben weer verder. Het prinsesje knikte beleefd een vriendelijk goedendag en liet mij alleen met mijn fantasie over haar vermeend koninkrijk.

Opgewarmd en met de fiets aan de hand volgde ik de oever in de richting van de eeuwenoude brug. Daar waar in beide voorgaande wereldoorlogen helden werden geboren en de overmoedige de dood vonden, waar in een voor mij onherkenbaar verleden strijders en aanhangers van een toenmalige minister van oorlog, Armand Jean de Plessis het onderspit delfden tegen de stoere bewoners van mijn dorp. Een nederlaag die volgens de overgeleverde geschiedenis door deze minister, beter bekend als Kardinaal Richelieu, zelf uit de geschiedenis boekjes schijnt te zijn geschrapt. Maar ook eind 18e eeuw was het dorp heldhaftig betrokken bij een aanval van Royalisten, Le Fenouiller belemmerde met een list de doorgang naar het aan de kust liggende Saint Gilles.

De brug over en terug, langs een door veel bomen omzoomde oever, de blauwe lucht tegemoet richting de moerassen en zoutmeren. De zon scheen nog stil en helder op de veelkleurige bladeren. De dorre taken op de grond kraakten en mijn tred deed de dorre bladeren ruisen onder mijn voeten. De bomen leken vermoeid, alsof ze terugdachten aan een lang vervlogen verleden waarin het zelf jong en buigzaam leefde en mooie herinneringen zich verankerden in de jaarringen. Hoeveel liefdespaartjes hadden zij wel niet verwelkomt en met hun loof hun zonden aan het zicht onttrokken, aan hem die van boven op hen neerkeek? Vreemd, hier kan ik de herfst pas ruiken waar ik er eerder niets van vernam, voor de eerste keer vanaf het moment dat ik vandaag op pad ben ruik ik het rotten van de vegetatie. Of is het verbeelding, doet het vertrappen van de krakende dorre bladeren mijn neusgaten verder opensperren? Uit de vochtige grond van tussen het mos en het verschrompeld blad verrijzen hier en daar de prachtigste paddenstoelen in vaak heel vreemde vormen. Als door de bomen zelf zichtbaar geworden droombeelden, sommige lelijk, dik en vlezig, andere kleurig, lang en statig met brede hoed, soms van een egaal wit en dan weer vol kleurige strepen en stippen. Op de hier en daar vermolmde boomstronk zwammen de schimmels met elkaar samen, uitkijkend naar een verdwaalde fietser of wandelaar om zich te laten bewonderen en fotograferen. Mijn stokbrood had ik al verorberd, samen met het stukje Crottin de Chavignol, het schapenkaasje uit de Loirevallei, en ondanks de herfstige temperatuur was de halfvolle fles zomerse fris rode Saumurwijn een goede aanvulling om het geheel weg te spoelen.

In de verte zag ik de boerderij al liggen, van veraf lijkt het een miniatuurhuisje als bij een modelspoorbaan. De rook uit de schoorsteen trok mij altijd die richting uit, alsof ik wil weten wat er in de open haard ligt te smeulen, houtblokken dennenhout, populier of eiken en daar boven een varken aan het spit? Voor het huis loopt de weg van de rivier af. Hoe vaak ben ik hier langs de boerderij gefietst? Ik kende ook de oude vrouw die altijd in haar stoel achter het venster zat, iedere keer als ik daar passeerde zwaaide ik naar haar. Zonder naar haar te kijken overigens, ik wist dus ook nooit of zij terug zwaaide. Vandaag zat ze er niet, wel de rode kater languit in de vensterbank, genietend van de zonnestralen die achter het glas, zijn van huis uit warm kleurige pels in vuur en vlam zette.

Vanaf de oceaan dreven nu tergend langzaam grijs wordende zilte wolken sneller landinwaarts, de wind wakkerde duidelijk iets aan en een paar druppels vertelden mij dat de regen niet ver weg meer was. Het geruis van het verkeer rondom haalde mij hard uit mijn mijmeringen, terug de realiteit in. In gedachten had ik de hele route vanaf huis, het dorp door, de Vie volgend en over de andere oever terug, doorgebracht. Mij niet bewust van de tijd. Ik keek op mijn telefoon om me een idee te geven hoe laat het was. Tegen vier uur in de middag alweer. Tijd om door te stappen naar huis, het is mijn beurt het avondeten te bereiden, mijn twee dames thuis zullen ook wel trek hebben als ze respectievelijk thuiskomen van werk en school.

Mijn vrije dag is voorbij.


Geef dit verhaal een waardering door met je muis over bovenstaande stippen te gaan en op het symbool met de door jou gegunde punten te klikken.


Ik maak gebruik van cookies zodat ik jou een optimale website kan leveren. Verder lezen!