Jonas

‘Wakker worden,’ schreeuwde vader, ‘je nest uit luiwammes!’ Moe van een veel te korte nacht wreef Jonas zich de slaap uit zijn ogen. Het was nog erg vroeg, nog geen zes uur. Eigenlijk wilde hij zich nog eens omdraaien, onmogelijk als dit was als het hele huis wakker werd. Moeder had immers de ruimte nodig om de tafel weer op de plaats terug te schuiven. Opstaan, er zat niets anders op. Jonas raapte de vele lappen en jutezakken bij elkaar die hem als matras dienden en kiepte het hele zwikje aan het voeteneind in de bedstee van vader en moeder. Voorzichtig sloot hij de vermolmde luiken in de hoop dat de scharnieren en de vele roestige schroeven en spijkers het hout bij elkaar hielden. Zijn zusjes en broers waren al op, alle acht, waardoor het veel te kleine huis al vol leven zat. Ontbijt was er deze zondag niet, eigenlijk nooit, de dag begon voor het hele gezin met een lege maag in de hoop dat die op zijn minst in de avond gevuld kon worden met wat vader en zijn oudere broers 's avonds meebrachten na een lange dag buffelen in de vele pakhuizen.

Op het kleine binnenplaatsje waste Jonas zich met onduidelijk bruin gekleurd water uit de zinken emmer, zijn gezicht met nat water wakker pletsend. Hij nam, met zijn handen als een kommetje gevouwen, een slok water uit de emmer en begon met zijn rechterwijsvinger zijn tanden een beetje te poetsen en spuugde het water daarna terug in de emmer. Met een schok drong het tot hem door dat hij om halfzeven die ochtend met Jaap had afgesproken aan de Lindengracht. Gisteren hadden zij en de rest van de Jordaanse bevolking veel plezier beleefd aan het zaklopen en andere volksspelen dat de viskopers het er vandaag op zouden wagen het Palingtrekken doorgang te laten vinden. Opschieten dus. Vanuit de Karthuizerstraat is het maar een minuutje of twee, was hij mooi de eerste.

Jaap stond ongeduldig te wachten toen hij de klompen van Jonas al hoorde klotsen voordat deze de hoek bij de Karthuizerdwarsstraat om kwam rennen.
‘Eerst’, riep Jaap, nog voordat hij Jonas ook maar zag.
‘Geen wonder, jij woont hier het dichtst bij’, reageerde Jonas geïrriteerd.
‘Vandaag is het palingtrekken’, glunderde Jaap, ’Kees van de bakker doet deze keer ook mee en heeft gisteravond, met een kop vol ouwe klare, mij korst en misbaksels beloofd als hij in de eerste ruk de paling trekt’.
Het water liep de beide jongens al uit de mond.
‘Kom’, zei Jonas ‘dan wandelen we even bij Kees langs om hem een beetje aan te moedigen. Misschien krijgen we nu ook al wat?’

.............

Het was die late middag nog behoorlijk warm en de stank van het grachtenwater werd weer langzaam ondragelijk, vooral voor diegene die op het water waren. Ter hoogte van het huis van schele Miep was er al een touw gespannen welke strak naar de overkant spande om bij Bart met de neus, op nummer 119 aan de vensterbank op de eerste verdieping te zijn genageld. Midden op de gracht was diezelfde Bart bezig de eerste levende paling met de staart aan het touw te bevestigen. Met zijn nasale stemgeluid riep hij de eerste deelnemers in hun roeibootjes op om plaats te nemen en legde nog een keer de spelregels uit: ‘Niet stoppen, doorroeien en diegene die voorp staat die trekt’.

Het klinkt allemaal vrij eenvoudig maar ga maar eens op de boeg van zo'n wiebelende oude roeiboot staan met, als je geluk hebt, een nuchtere roeimaat. Tot groot verdriet van Jonas en Jaap was het Kees van de bakker niet gelukt de paling als eerste te trekken en net na de derde maal dat hij miste brak aan de andere zijde van de gracht een gejoel en geschreeuw uit. Twee dienders waren ten tonele verschenen en sommeerden het palingtrekken te stoppen. De viskopers, die het spel hadden aangezwengeld wilden van geen stoppen weten. Een van de dienders bediende zich van een onder een toeschouwer weggetrokken kist om het touw, welke over de gracht was gespannen door te snijden. Dat was als het aansteken van een lont in een kruitvat. Het publiek drong zich rond de twee dienstkloppers en begonnen bedreigingen te uiten. Een van de agenten trok daarop zijn sabel en hakte wild, alleen lucht doorklievend, om zich heen in de hoop hem en zijn collega een weg naar de vrijheid te kunnen banen.

‘Wegwezen hier’, zei Jonas ‘dat gaat knokken worden’.
De jongens probeerden tussen de mensenmassa door weg te komen, op handen en voeten soms, tussen benen door. Uit de kade losgewrikte stenen vlogen door de lucht, scheldwoorden en verwensingen richting de twee dienders waren niet van de lucht. Een diender werd flink toegetakeld een kelder in getrokken, waar vuistslagen niet zouden stoppen wisten de twee jongens.

Er kwam meer politie maar ook de tegenstand van de menigte groeide. Jonas zag zelfs de oude schele Miep met keien en stenen, opgebroken uit de straat in haar schort de opgewonden menigte bedienen van munitie. Er klonken enkele doffe knallen. ‘Ze schieten’, jammerde Jonas ‘verdomme, die gekken schieten. Rennen Jaap, wegwezen hier’. Jonas zette het op een lopen, zo snel zijn klompen hem konden bijbenen. Jaap achterlatend in een plas bloed .......


Geef dit verhaal een waardering door met je muis over bovenstaande stippen te gaan en op het symbool met de door jou gegunde punten te klikken.


Ik maak gebruik van cookies zodat ik jou een optimale website kan leveren. Verder lezen!